Euratom behoudt immuniteit

De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, Euratom, heeft in Petten (gemeente Zijpe) onder de naam Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie (hierna: GCO) een inrichting,(1) in het kader waarvan haar vergunningen zijn verleend op grond van (thans) de Wet milieubeheer en de Kernenergiewet. Het centrum heeft onder verdenking gestaan de vergunningvoorschriften te hebben overschreden, maar is daarvoor niet vervolgd. Dit tot misnoegen van de Stichting Greenpeace Nederland. Het beklag dat de milieubeschermingsorganisatie indiende op grond van artikel 12 Sv werd op 21 december 2005 door het gerechtshof te Amsterdam gegrond verklaard, maar die beschikking(2) is op 13 november 2007 door de Hoge Raad vernietigd in het belang der wet.

Zowel de Hoge Raad als het gerechtshof erkennen dat Euratom - en haar medewerkers - alleen immuniteit genieten, voor zover deze nodig is ter vervulling van hun taak. We noemen dat functionele immuniteit. Het gerechtshof overwoog hieromtrent: Het Centrum kan worden beschouwd als een werkmaatschappij van Euratom die deelneemt aan het privaatrechtelijke verkeer op gelijke voet met andere inrichtingen zoals ECN, NRC en Mallinckrodt en evenals die andere inrichtingen gehouden is de daarbij geldende regels na te leven. Het correct moeten naleven van die regels kan niet als een belemmering worden gezien, welke niet zou mogen gelden voor Euratom en wel voor die andere inrichtingen.(3) En daarmee heeft het hof volgens de Hoge Raad een verkeerde maatstaf aangelegd. Het gaat niet om de vraag óf Euratom ook zonder de vergunningvoorschriften te overtreden haar taken heeft (of had) uit kunnen voeren, máár of de desbetreffende gedragingen onmiddellijk verband houden met de vervulling van de aan Euratom opgedragen taken. En dat laatste was het geval.(4)

Voetnoten

1
Zie ook: Art. 8 Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van 25 maart 1957, Trb. 1957, 75 en 92.
2
Gh. Amsterdam; 21 december 2005, LJN AU9264
3
Gh. Amsterdam; 21 december 2005, LJN AU9264 Ov 6.4
4
Hoge Raad, 13 november 2007, LJN BA9173