Weinig belangenafweging bij intrekken bouwvergunning

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht heeft op 20 januari 2006 besloten de bouwvergunning (Art. 40 Woningwet) voor de bouw van een islamitisch slachthuis op een perceel aan de Isotopenweg, die zij op 3 december 1992 had afgegeven, weer in te trekken. Appellanten erkennen dat het college het recht heeft een afgegeven bouwvergunning weer in te trekken als er niet binnen 26 weken is begonnen met de bouw (Art. 59 lid 1 sub c Woningwet jo. art. 4.1 Bouwverordening Utrecht), maar vragen zich af of het bestuursorgaan wel een juiste belangenafweging heeft gemaakt.

Op 5 december 2007 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in deze zaak.(1) In rechtsoverweging 2.5 stelt zij dat appellanten, door gedurende ruim dertien jaar geen gebruik te maken van de bouwvergunning, zich hebben blootgesteld aan het risico dat de inzichten omtrent het gebruik van de grond zouden wijzigen in een voor hen negatieve zin. Ook tijdens het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift tegen de intrekking van de bouwvergunning, was er niets dat er concreet op wees dat op korte termijn met de bouw een aanvang zou worden gemaakt; het plan om in 2006 met de bouw te starten was daarvoor onvoldoende. Dat de gemeente Utrecht het ‘Voorontwerpbestemmingsplan Spoorverdubbeling Utrecht-Maarssen / Nieuwe westelijke hoofdinvalsweg’ - waarvoor het idee van een islamitisch slachthuis moest wijken - niet verder in procedure heeft genomen, maakt dit niet anders; omdat de omstandigheid dat niet aannemelijk is gemaakt dat op korte termijn met de bouw zou worden begonnen op zichzelf reeds een redelijk belang vormt dat ten grondslag kan worden gelegd aan intrekking van een ongebruikte bouwvergunning. Daarbij verwijst de ABRvS naar een uitspraak uit 2003 waarin zij overwoog: Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook de enkele omstandigheid dat de houder van een bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij alsnog binnen korte termijn daarvan gebruik zal maken, een redelijk belang vormt dat ten grondslag gelegd kan worden aan intrekking van een ongebruikte bouwvergunning.(2) Het belang van het college van burgemeester en wethouders om (misschien) een transferium en een busterminal te bouwen nabij station Utrecht Zuilen, woog daarom zwaarder dan dat van appellanten.

Voetnoten

1
ABRvS, 5 december 2007, LJN BB9450 (Intrekking bouwvergunning islamitisch slachthuis).
2
ABRvS, 24 september 2003, zaaknr. 200302060/1, LJN AL1513 Ov. 2.3 (Intrekking bouwvergunning voor hotel te Boxtel).