Gijzeling Nederlandse journalist was onrechtmatig

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 22 november 2007 als haar oordeel uitgesproken dat de Staat der Nederlanden een onrechtmatige inbreuk heeft gemaakt op de vrijheid van meningsuiting (Art. 10 EVRM) van de Nederlandse journalist Koen Voskuil, door hem te gijzelen omdat hij zijn bron voor een publicatie in de gratis krant Sp!ts niet wilde prijsgeven.

(1)

De feiten

Op 30 maart 2000 veroordeelde de arrondissementsrechtbank te Amsterdam drie personen (K. Van S. en H.) wegens verboden wapenhandel. Enkele maanden later - op 12 en 13 september 2000 om precies te zijn - publiceerde Koen Voskuil met een collega twee artikelen in de gratis krant Sp!ts waarin zij hun twijfel uitspraken over het toeval waarmee de politie naar men beweerde de wapens had gevonden tijdens het binnentreden van het huis om de oorzaak van een lekkage te vinden. In één van de artikelen werd een anonieme politieman geciteerd, hij zei: Dat hebben we er maar van gemaakt. Soms heb je net even een doorbraak nodig in je onderzoek. Naar aanleiding van deze artikelen werd de heer Voskuil tijdens het hoger beroep in de zaak van K., Van S. en H. door de advocaten van de verdachten opgeroepen als getuige. Voor het gerechtshof stelde de journalist onder andere dat de geciteerde politieman betrokken is geweest bij eerder onderzoek naar K. Toen het gerechtshof hem vroeg of zijn informant ook betrokken is geweest bij het onderzoek in de huidige zaak of daarvan wist, beriep hij zich op zijn verschoningsrecht. Om hem te dwingen de vraag te beantwoorden besloot het hof hierop - na tussentijds beraad - de journalist in gijzeling te laten nemen (Art. 294 Sv). Hiervoor had zij twee redenen. Ten eerste zou, als de bewering van de politieman juist is, dit gevolgen hebben voor de schuldigverklaring van de verdachten. En ten tweede heeft de bewering invloed op de integriteit van de politiële en justitiële autoriteiten. Koen Voskuil bleef met een beroep op zijn journalistiek verschoningsrecht weigeren zijn bron prijs te geven en werd op 9 oktober 2000 weer in vrijheid gesteld. De reden voor zijn invrijheidstelling was dat het gerechtshof van mening was dat er geen geloof meer gehecht kon worden aan zijn verklaring, omdat deze (daar naar gevraagd) werd tegengesproken door tien politiemensen en er verder geen schriftelijk bewijs voor was gevonden.

Onrechtmatige inbreuk op artikel 10 EVRM

Beide partijen, zowel de Staat als de betrokken journalist, zijn het er over eens dat er in casu sprake was van, zoals artikel 10, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden dat omschrijft, formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties die de journalist in zijn vrijheid van meningsuiting hebben beperkt.

Art. 10 EVRM:
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-, omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt,  kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Waar zij van mening over verschilden, was de vraag of de gijzeling van de journalist ook rechtmatig was. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens beantwoordt dergelijke vragen volgens een vast stramien. Allereerst kijken de rechters of de beperking in een wet in de zin van het EVRM is vastgelegd. Artikel 294 van het Wetboek van Strafvordering voldoet aan de eisen van kenbaarheid en voorzienbaarheid en biedt daarom een voldoende wettelijke grondslag. Daarna onderzoeken de rechters of de beperking een rechtmatig doel diende. Volgens de Nederlandse overheid was de inbreuk bedoeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, te weten de integriteit van de rechterlijke macht en de Amsterdamse politie. Zij verwees ook naar andere legitieme doelen, zoals openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Het Hof oordeelde dat er in casu inderdaad een legitiem doel voor de beperking was.

De derde vraag die de Straatsburgse rechters zich hebben moeten stellen om te beoordelen of de inbreuk op het grondrecht rechtmatig was, is de vraag of de beperking - in dit geval de gijzeling - noodzakelijk was in een democratische samenleving. Voordat deze vraag inhoudelijk behandeld wordt, wijst het Hof eerst op de belangrijke plaats die de pers inneemt als verspreider van informatie en waakhond in de westerse samenleving.(2) De bescherming van journalistieke bronnen is één van de belangrijkste voorwaarden voor persvrijheid, zoals ook is erkend en uitgesproken in diverse internationale akten. (...) Zonder een dergelijke bescherming zouden bronnen ontmoedigd kunnen raken om de pers te helpen het publiek te informeren over belangrijke maatschappelijke onderwerpen. Als gevolg daarvan zou de rol van publieke waakhond die de pers heeft ondermijnd kunnen worden, hetgeen een negatief effect zou hebben op de mogelijkheid van de pers om nauwkeurige betrouwbare informatie te verspreiden.(3) Het Hof ziet, zo blijkt uit overweging 67 van het vonnis, in deze zaak geen aanleiding om in te gaan op de vraag of er omstandigheden zijn waarin de plicht van staten die partij zijn bij het EVRM om een eerlijk proces te garanderen, een rechtvaardiging oplevert om een journalist te dwingen zijn bronnen te openbaren. In het onderhavige geval was dat in ieder geval geenszins aan de orde. Volgens het EHRM heeft Nederland een disproportionele inbreuk gemaakt op de vrijheid van meningsuiting van Voskuil door hem te gijzelen en daarmee een maatregel genomen die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. Terzake overwegen de rechters in overweging 71: Wat de consequenties voor de bron ook moge zijn, het Hof staat versteld van de duur gedurende welk de Nederlandse autoriteiten bereid waren de maatregel toe te passen om achter de identiteit van de informant van de journalist te komen. Zulke vergaande maatregelen kunnen niet anders dan mensen die juiste en nauwkeurige informatie hebben betreffende misstanden als het soort waarvan hier sprake is, afschrikken om in de toekomst nog naar voren te stappen en hun kennis met de pers te delen.

Voetnoten

1
EHRM, 22 november 2007, zaaknr. 64752/01 (Voskuil v. The Netherlands).
2
Het Hof verwijst daarbij naar: Barthold v. Germany, 25 March 1985, Series A no. 90, p. 26, § 58.
3
EHRM, 22 november 2007, zaaknr. 64752/01 § 65 (Voskuil v. The Netherlands).