SGP behoudt subsidie

Woensdag 5 december 2007 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in hoger beroep uitgesproken dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de subsidieaanvraag in het kader van de Wet subsidiëring politieke partijen (hierna: Wspp) van de Staatkundig Gereformeerde Partij opnieuw moet behandelen.

Aanleiding voor het geschil

De politieke partij heeft op 24 oktober 2005 een aanvraag op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen ingediend voor verlenging van subsidie voor haar en de aan haar gelieerde instellingen voor het jaar 2006. Bij besluit van 20 december 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties deze aanvraag afgewezen, omdat de staat op 7 september 2005 door de civiele rechter is bevolen artikel 2 van de Wspp jegens de SGP buiten toepassing te laten wegens strijd met (artikel 7 van) het Vrouwenverdrag, zolang vrouwen niet op gelijke voet met mannen lid kunnen worden van de partij.(1) Volgens de minister bleef hem, gegeven het hiervoor genoemde uitvoerbaar bij voorraad verklaarde dictum van het vonnis, geen andere keus over. De bestuursrechter in eerste aanleg was het met deze zienswijze eens. Hij overwoog hier omtrent: Verweerder zou blijkens het civiele vonnis onrechtmatig handelen door de subsidieaanvraag in te willigen, hetgeen niet van verweerder kan worden gevergd. Blijkens het civiele vonnis zou verweerder evenzeer onrechtmatig handelen door de aanvraag tot subsidieverlening te weigeren met inachtneming van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51 van de Awb. De grondslag van verlening van de subsidie voor de duur van een redelijke termijn in 2006 zou immers geen andere kunnen zijn dan artikel 2, eerste lid, van de Wspp. Het hanteren van deze grondslag jegens de SGP is blijkens het civiele vonnis vanaf 7 september 2005 onrechtmatig.(2) Terzijde zij hier opgemerkt dat de Staat der Nederlanden in de civiele procedure in hoger beroep is gegaan, maar het gerechtshof heeft op dit moment nog geen vonnis gewezen.

Beroep bij de ABRvS

De Staatkundig Gereformeerde Partij heeft beroep aangetekend tegen het vonnis van de bestuursrechter bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Met succes, want de hoogste algemene bestuursrechter heeft uitgesproken dat de minister weliswaar bij het nemen van een besluit op de aanvraag van de SGP om subsidie krachtens de Wspp voor het jaar 2006, gebonden was aan het gewezen vonnis; maar ook dat een dergelijke binding niet af mag doen aan de mogelijkheden van de SGP zich om een oordeel omtrent haar aanspraken ingevolge de Wspp te wenden tot de ter zake door de wetgever in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 37, eerste lid, van de Wet RvS, als bevoegd aangewezen rechter. Uit die wettelijke competentiebepalingen vloeit voort dat de bindende kracht van het vonnis zich niet uitstrekt tot de door de bestuursrechter te verrichten toetsing. Ware dit anders, dan zou de in rubriek 3.42 van het vonnis bedoelde rechtsweg zinledig zijn.(3) De bestuursrechter moet dus ook zelf nagaan in hoeverre artikel 7 van het Vrouwenverdrag een ieder verbindend is. Dat is de bepaling volgens de ABRvS vanaf het tweede deel van de aanhef vanaf het woord “verzekeren” tezamen met de onderdelen a en b. Daarna dient een afweging gemaakt te worden tussen het door artikel 7 van het Vrouwenverdrag nagestreefde belang en andere grondrechten die bij de toepassing van dit artikelonderdeel van belang kunnen zijn; te denken valt aan een ieder verbindende verdragsbepalingen strekkende tot vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, vrijheid van vereniging en vergadering en vrijheid van meningsuiting.

Brengt artikel 7, aanhef en onder a en c, van het Vrouwenverdrag met zich mee dat artikel 2 van de Wet subsidiëring politieke partijen buiten toepassing moet worden gelaten voor de SGP? Volgens de ABRvS is dat niet het geval. De Afdeling ziet art. 2 Wspp dan ook in de eerste plaats als een bepaling die het algemeen belang dient, dat betrokken is bij een brede weerspiegeling in het geheel van politieke partijen van de maatschappelijke, levensbeschouwelijke, ideologische en religieuze stromingen in de samenleving. Lettend op het vorenstaande heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wspp een afweging gemaakt tussen het belang van gelijke behandeling, waaronder het op gelijke voet participeren van mannen en vrouwen binnen politieke partijen, en het belang van de functie welke die partijen vervullen bij de vertegenwoordiging van het gehele electoraat in de publieke besluitvorming en de daarmee verbonden vrijheden van politieke partijen hun gedachtegoed intern te realiseren en extern uit te dragen. Deze afweging ligt ook ten grondslag aan de uitdrukkelijke keuze van de wetgever om de stopzetting van de subsidie van rechtswege slechts in te laten gaan na een onherroepelijke veroordeling door de strafrechter wegens discriminatie in de zin van de in artikel 16 van de Wspp genoemde strafbepalingen gedurende een periode die ingaat op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.(4) Aangezien artikel 2 Wspp op zichzelf niet in strijd is met artikel 7 van het Vrouwenverdrag - de motivering van de Afdeling laat ik hier even weg -, dient art. 2 Wspp ook te worden toegepast op de door de SGP ingediende subsidie-aanvraag voor het jaar 2006. De minister mag bij het nemen van een besluit op een subsidieaanvraag geen inhoudelijke afweging maken. De grondslag voor subsidietoekenning is het aantal zetels in de Tweede Kamer dan wel de Eerste Kamer der Staten-Generaal. De Wspp dwingt er dan ook toe dat, waar aan de daar gestelde voorwaarden voor subsidiëring is voldaan, de in het parlement vertegenwoordigde partijen worden gesubsidieerd, aldus de ABRvS.(5) Om die reden wordt het vonnis van de rechtbank vernietigd, en moet de minister - met inachtneming van dit vonnis - een nieuw besluit nemen. Gelet op het bovenstaande kan dat volgens mij weinig anders zijn dan de volledige toekenning van de subsidie.

Voetnoten

1
Rb. 's-Gravenhage, 7 september 2005, AB 2005, 398 m.nt. M.J. Kanne & R. Nehmelman, Ov. 3.42 (SGP Subsidie).
2
Rb. 's-Gravenhage, 30 november 2006, LJN AZ5393, Ov. 2.5 (Weigeren subsidie SGP I).
3
ABRvS, 5 december 2007, LJN BB9493, Ov. 2.10 (Weigeren subsidie SGP II).
4
ABRvS, 5 december 2007, LJN BB9493, Ov. 2.14.1 (Weigeren subsidie SGP II).
5
ABRvS, 5 december 2007, LJN BB9493, Ov. 2.15 (Weigeren subsidie SGP II).