Vragen staat vrij

Hoewel het in de meeste Nederlandse gemeenten al jaren gebruikelijk was dat gemeenteraadsleden vragen konden stellen aan de leden van het college van Burgemeester en Wethouders, is deze mogelijkheid pas formeel met de invoering van de dualistische organisatiestructuur van gemeenten in de Gemeentewet vastgelegd: artikel 155. De Eerste Kamer en de Tweede Kamer beschikten al veel langer over het zogenoemde individuele vragenrecht, dat in 1987 in artikel 65 van de Grondwet werd opgenomen. Het vragenrecht is een uitstekend instrument voor gemeenteraadsleden om de collegeleden te controleren.

Helaas biedt het Bestuurlijke Informatie Systeem (BIS) van de gemeente Houten niet de mogelijkheid om vragen, die Houtense gemeenteraadsleden de afgelopen jaren hebben gesteld, na te lezen. Dat is, samen met het verstrekken van documenten in een leesvorm die voor iedereen bruikbaar is, misschien een mooi punt van aandacht voor een toekomstige update van het systeem. Maar in de tijd dat ik nog raadscommissielid was (circa 2 jaar geleden), maakten de politici maar beperkt gebruik van dit recht. Ik neem aan dat dit sindsdien niet erg veranderd is. Hoe anders wordt de situatie als we het landelijke beeld bekijken. Vanuit de Tweede-Kamer werden tussen 22 en 29 maart 2007 in totaal maarliefst 71 vragen gesteld aan de verschillende ministers en staatssecretarissen van het kabinet Balkenende-IV. In dezelfde week was het kabinet in staat op 20 vragen uit voorgaande weken te beantwoorden en moest zij 5 keer om uitstel vragen omdat het antwoord niet snel genoeg gegeven kon worden.

Tellen we dat bij elkaar op, dan is er deze week over 96 vragen correspondentie geweest tussen de regering en de Tweede-Kamer. De vragen die afgelopen dinsdag tijdens het mondelinge vragenuur in de Tweede-Kamer zijn gesteld heb ik dus nog niet eens meegeteld. In de Eerste-Kamer heeft overigens alleen het lid Ten Hoeve van de Onafhankelijke Senaats-Fractie (OSF) deze week een vraag ingediend. Als 150 volksvertegenwoordigers in staat zijn samen 71 nieuwe vragen per week te stellen, dan ben ik wel benieuwd in welke fracties de vragenstellers zitten. Na wat turven kom ik uit op het volgende lijstje: VVD (19 vragen), CDA (18 (vragen), PvdA (18 vragen), SP (18 vragen), GroenLinks (10 vragen), PVV (9 vragen), SGP (8 vragen), D66 (7 vragen), ChristenUnie (5 vragen) en de PvdD (2 vragen). Het merendeel van de vragen die in de afgelopen week de revue zijn gepasseerd in de Tweede Kamer (41 vragen), waren dus niet afkomstig van oppositiepartijen, maar van de regeringspartijen CDA, PvdA en ChristenUnie.

Natuurlijk zijn Tweede-Kamerleden wier partij deel uitmaakt van de regeringscoalitie ook verplicht om de regering te controleren, maar gevoelsmatig zou je toch verwachten dat de meerderheid van de vragen gesteld zou worden door kritische oppositiepartijen die het kabinet aan de tand willen voelen. Aan de andere kant moet gezegd worden dat ik slechts een steekproef van één week heb genomen. Het beeld zou er op jaarbasis best heel anders uit kunnen zien. Evenmin kan ik een antwoord geven op de vraag of het hoge aantal vragen dat deze week met Parlando gevonden kan worden uitzonderlijk hoog is in verhouding met andere weken van het jaar. Oftewel: zien wij hier de verveling van Tweede-Kamerleden in terug nu de regering nog in haar 100-daagse wittebroodsweken zit?

Waar ik wel iets over zou kunnen zeggen is de manier waarop politieke partijen op hun website met hun eigen vragen omspringen, maar dat is een mooi onderwerp voor een volgende column.