Vreemdeling moet verblijfplaats doorgeven, ook in detentie

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie moet een besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling aan de betrokken vreemdeling uitreiken, maar het is aan de vreemdeling om de Minister te laten weten waar hij verblijft. Dat de vreemdeling die bij deze zaak betrokken is ondertussen in detentie was opgenomen, maakt een en ander niet anders.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft bij besluit van 21 augustus 2002 een vreemdeling ongewenst verklaard. Dit besluit kon niet conform paragraaf B1/2.2.4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 aan de vreemdeling worden uitgereikt, omdat deze niet langer woonachtig was op het bij de minister bekende adres (een asielzoekerscentrum). Om die reden heeft de minister van het besluit mededeling gedaan in de Staatscourant van 29 augustus 2002. Had de Minister zelf moeten uitzoeken dat de vreemdeling opnieuw - van 10 februari 2000 tot 16 november 2000 verbleef hij reeds eerder in een Huis van Bewaring - in een penitentiaire inrichting verbleef in verband met een strafrechtelijke detentie?

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde op 18 april 2007 dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Naar het oordeel van de Afdeling lag het evenwel niet op de weg van de minister een verdergaand onderzoek dan hij heeft verricht naar het verblijfadres van de vreemdeling te verrichten. Ingevolge artikel 4.37 van het Vreemdelingenbesluit 2000 dient een vreemdeling de minister immers zelf in kennis te stellen van adreswijzigingen. Dit heeft de vreemdeling niet gedaan.(1) Het bezwaarschrift van de vreemdeling van 10 maart 2004 was dan ook buiten de bezwaartermijn ingediend en was door de minister terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Voetnoten

1
ABRvS 18 april 2007, LJN BA4511 Ro. 2.1.5. (Gedetineerde ongewenst vreemdeling).