Burgerlijke- naast canonieke rechtsgang

Is de burgerlijke rechter nog wel bevoegd kennis te nemen van een zaak waarin partijen een kerkelijke rechtsgang hebben gevolgd? Voor deze vraag werd de Sector kanton van de Rechtbank Rotterdam midden december vorig jaar gesteld.

Op 15 augustus 1962 werd de eiser in geschil, Dick van der Geest, op 22-jarige leeftijd als religieus gewijd in de Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria. Op 11 maart 1984 sloot hij een overeenkomst met de Nederlandse Provincie van de Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria, waarin werd afgesproken dat hij voor onbepaalde tijd alleen zou mogen blijven wonen. Dat ging lang goed, tot hij bij Decreet van 21 november 2001 van de Provincie uit de orde ontslagen werd wegens hardnekkige ongehoorzaamheid aan de rechtmatige bevelen van zijn meerderen in belangrijke aangelegenheden. Het Decreet werd op 10 februari 2004 bij besluit van de Congregatie voor Religieuzen bij de Heilige Stoel bekrachtigd, waartegen hij tevergeefs bezwaar heeft ingediend, een beroepsprocedure bij de Signatura Apostolica - de Vaticaanse rechtbank - is gestart en daar weer tegen in bezwaar is gegaan. Op 2 december 2006 werd hij definitief uit de orde ontslagen.

Eiser liet het er echter niet bij zitten. Op 2 juli 2007 heeft hij de canonieke Congregatie en Provincie gedagvaard voor de sector kanton van de Rechtbank Rotterdam. Hij stelde daarbij dat er in 1962 een arbeidsovereenkomst tussen hem en gedaagden is gesloten, welke kennelijk onredelijk is opgezegd. Als herstel niet mogelijk zou zijn, wilde hij dat de rechter een afkoopsom zou opleggen. Tevens zou de schade terzake van het misgelopen pensioen in geld en natura en immateriële schade vergoed moeten worden. Gedaagden stellen van hun kant echter, dat de kantonrechter onbevoegd is of, indien dit niet het geval is, de eiser in ieder geval niet-ontvankelijk. Eiser heeft zich door zijn toetreding immers onderworpen aan het eigen rechtssysteem van de Congregatie bestaande uit de constituties en statuten van de Congregatie. Daarnaast zijn beide gedaagden kerkgenootschappen in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW en hebben aldus bestuurlijke autonomie. Zij worden, aldus gedaagden, slechts geregeerd door het eigen kerkelijk recht. Bovendien is tussen partijen al een procedure gevoerd tot in hoogste kerkrechtelijke instantie.

In zijn eerste tussenvonnis gaat de kantonrechter alleen in op het bevoegdheids- en ontvankelijkheidsvraagstuk. Met betrekking tot de bevoegdheid van de kantonrechter haalt hij in rechtsoverweging 6.1 het arrest van de Hoge Raad van 31 december 1915 (NJ 1916, p. 407; Guldemond/Noordwijkerhout) aan, waarin wordt geoordeeld dat bij het vaststellen van de bevoegdheid van de burgerlijke rechter de grondslag van de vordering bepalend is en niet de werkelijke rechtsverhouding tussen partijen. De rechter mag niet rechtspreken in geschillen die voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen een kerkgenootschap en haar leden (Art. 42 Wet RO), maar deze rechtsverhouding moet juist in de procedure op tegenspraak worden vastgesteld. Bovendien bepaalt artikel 17 van de Nederlandse Grondwet dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent, zodat eiser - ook als er een kerkrechtelijke rechtsgang is doorlopen - het recht heeft het oordeel van de burgerlijke rechter te vragen.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de eiser oordeelt de kantonrechter dat mensen die vrijwillig lid worden van een kerkgenootschap, zich ook vrijwillig onderwerpen aan het recht dat gelding heeft binnen het kerkgenootschap. Er is daarnaast nog slechts plaats voor een civiele rechtsgang, indien een eiser zwaarwegende omstandigheden aanvoert die dit rechtvaardigen. In deze zaak worden twee soorten van omstandigheden aangevoerd. In de eerste plaats de schending van elementaire beginselen van een behoorlijke procesorde in de kerkelijke rechtsgang. Daarnaast voert [eiser] aan dat, naast de verbintenissen tussen partijen van meer kerkrechtelijke aard, er tevens een rechtsverhouding tussen partijen op grond van het civiele recht is ontstaan (arbeidsovereenkomst of overeenkomst sui generis).(1)

Dat er geen plaats is voor een directe niet-ontvankelijkheidsverklaring sluit uiteraard niet uit, dat eiser verder in de procedure alsnog niet-ontvankelijk verklaard kan worden in zijn vordering. Namelijk in het geval hij onvoldoende in staat is zwaarwegende omstandigheden aan te voeren, waaruit blijkt dat hij - ondanks het volledig doorlopen hebben van de kerkelijke rechtsgang - er belang bij heeft rechtsbescherming te zoeken bij de civiele rechter.

Voetnoten

1
Ktr. Rb. Rotterdam, 11 december 2007, LJN BC1136.