Aanvulling van een beschikking

Als u een aanvraag voor een beschikking bij een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht indient, moet deze aan een aantal eisen voldoen. Voor zover bij wettelijk voorschrift nog niet is voorzien in een formulier waarmee de aanvrager de benodigde gegevens kan verstrekken, kan het bestuursorgaan zelf een formulier vaststellen (Art. 4:4 Awb). Als er geen formulier is vastgelegd, bepaalt de Algemene wet bestuursrecht dat u uw aanvraag schriftelijk moet indienen (Art. 4:1 Awb) en daarbij ten minste uw naam en adres, een datum van schrijven en een aanduiding van de beschikking die u wenst, dient de vermelden (Art. 4:2 lid 1 Awb). In veel gevallen zal een bestuursorgaan meer informatie nodig hebben om uw aanvraag te kunnen beoordelen.

Artikel 4:2 Awb

Laten we als voorbeeld de aanvraag van een bijstandsuitkering bij het college van burgemeester en wethouders van een willekeurige gemeente in Nederland nemen. Om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering moet de aanvrager aan een aantal voorwaarden voldoen. Twee belangrijke voorwaarden staan in artikel 19, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (Hierna: Wwb). Het inkomen dat iemand verdient moet lager zijn dan de bijstandsnorm (Art. 19 lid 1 sub a Wwb) en er mag geen in aanmerking te nemen vermogen zijn (Art. 19 lid 1 sub b Wwb). In december 2007 kwam dat er concreet op neer dat een alleenstaande aanvrager van tussen de 21 en 45 jaar, minder moest verdienen dan 623,10 euro per maand (Art. 21 onder b WWB) en een vermogen onder de 5.245,00 euro moest hebben (Art. 34, derde lid onder a, Wet werk en bijstand). Om te kunnen beoordelen of de aanvrager daadwerkelijk aan deze twee voorwaarden voldoet, heeft het bestuursorgaan behoefte aan meer informatie. Artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt de aanvrager daarom de verplichting op de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen aan het bestuursorgaan te overleggen.

Een aardige casus vormt in dit geval de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 november 2007.(1) In dit praktijkgeval had de gemeente Moerdijk bij besluit van 20 mei 2005 de uitkering welke eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontving, met ingang van 20 april 2005 ingetrokken, omdat zij had geweigerd mee te werken aan een huisbezoek. Na een eerdere afgewezen aanvraag, vroeg appellante op 21 juli 2005 opnieuw een bijstandsuitkering aan. Om een goed besluit te kunnen nemen vroeg het college van burgemeester en wethouders op 16 augustus 2005 om vóór 26 augustus 2005 enkele ontbrekende gegevens te verstrekken, waaronder een overzicht met bewijsstukken waar zij de afgelopen drie maanden van had geleefd. Dat overzicht kwam er echter niet (volledig), zodat het college bij besluit van 30 augustus 2005 met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de aanvraag van appellante buiten behandeling heeft gesteld. De CRvB liet dit besluit in stand en overwoog: Naar het oordeel van de Raad zijn de door het College verlangde gegevens, waaronder de gegevens/bewijsstukken met betrekking tot de periode van drie maanden voorafgaande aan de onderhavige aanvraag, noodzakelijk voor een juiste beoordeling van het geclaimde recht op bijstand. De Raad stelt voorts vast dat van de zijde van het College onweersproken is gesteld dat aan appellante tijdens de intake duidelijk is gemaakt welke specifieke gegevens het College daarbij op het oog had. De Raad oordeelt voorts dat appellante redelijkerwijs in staat moet zijn geweest over deze gegevens te beschikken en deze tijdig te overleggen. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat appellante de door haar daadwerkelijk verstrekte gegevens vóór het verstrijken van de gestelde termijn heeft overgelegd (strikt bewijs daarvoor ontbreekt), moet met het College worden geoordeeld dat in ieder geval niet alle gevraagde gegevens zijn overgelegd omdat daaruit immers geen volledig beeld kan worden verkregen over de periode voorafgaande aan de betreffende aanvraag. Daartoe bestond temeer reden nu in die periode achtereenvolgens de bijstand werd beëindigd en een volgende nieuwe aanvraag - evenzeer wegens onvolledige gegevens - buiten behandeling is gesteld.

Het lijkt er op dat het bestuursorgaan misbruik vermoedde en daarom graag wat extra inlichtingen wilde hebben. Die ruimte heeft het college van burgemeester en wethouders in casu ook, maar wil dat dan ook zeggen dat het bestuursorgaan zomaar allerlei gegevens van de aanvrager kan eisen? Die laatste vraag moet ontkennend beantwoord worden. De wet stelt immers twee eisen waaraan de eis van meer informatie moet voldoen: de informatie moet voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn én de aanvrager moet redelijkerwijs de gevraagde informatie tot zijn beschikking kunnen krijgen. Geen geld hebben om de gevraagde informatie in Turkije op te vragen, is daarbij geen goed excuus.(2) Een postzegel op de antwoordenvelop vergeten te plakken en daardoor de gestelde termijn overschrijden(3), of te maken krijgen met verschillende instanties en daardoor de termijn laten verlopen,(4) zijn dat evenmin. Als de aanvrager de door het bestuursorgaan gevraagde informatie niet binnen de opgelegde hersteltermijn kan verstrekken, kan hij uiteraard wel verlenging van deze hersteltermijn vragen.

Corrigeren in de bezwaarschriftprocedure?

Stel dat uw aanvraag voor een bijstandsuitkering wordt afgewezen, omdat u niet alle gegevens en bescheiden die het bestuursorgaan van u verlangde hebt overlegd. Kunt u de ontbrekende gegevens dan alsnog tijdens de bezwaarschriftprocedure indienen? Natuurlijk kunt u van alles opsturen, maar het bestuursorgaan zal deze nieuwe informatie niet meer meenemen. Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt de aard en inhoud van het primaire besluit, strekkende tot buiten behandeling laten van de onderhavige aanvraag om bijstand, met zich mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken.(5) Van de genoemde uitzondering zal echter niet snel sprake zijn.

Voetnoten

1
CRvB, 20 november 2007, LJN BB8311[/url[.
2
CRvB, 13 november 2007, [url=http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB7719]LJN BB7719.
3
CRvB, 8 mei 2007, LJN BA4636.
4
CRvB, 17 april 2007, LJN BA3159.
5
CRvB, 17 januari 2007, LJN AZ8300.