Bijstand en bankafschriften

Wie de jurisprudentie aangaande de bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand doorleest, komt veel jurisprudentie tegen van mensen die het college van burgemeester en wethouders niet, of niet volledig, willen informeren over hun werkelijke financiële situatie. En keer op keer reageert de hoogste bestuursrechtelijke rechter met dezelfde overweging: Volgens vaste jurisprudentie is voor een juiste beoordeling van het recht op bijstand tevens inzicht vereist in de financiële situatie van de betrokkene gedurende de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. In dat licht heeft het College terecht om de zojuist genoemde stukken verzocht.(1) De gemeenten mogen zelf bepalen over welke termijn zij dergelijke stukken willen ontvangen. In sommige gemeenten is dat een periode van ongeveer drie maanden,(2) in andere gemeenten zes maanden.(3)

In september van het afgelopen jaar speelde er ook een zaak bij de Centrale Raad van Beroep van een ex-gedetineerde die slechts gedeeltelijk aan het verzoek van het college van B&W;gehoor had gegeven, omdat hij gedurende een deel van de periode in detentie had gezeten en dus geen uitgaven had kunnen doen. Ook dat is volgens het rechtscollege geen geldige reden om niet alle bankafschriften te overleggen. De raad overwoog: De stelling dat als gevolg van de detentie van appellant in de betreffende periode hij in die periode ook geen bankactiviteiten kon verrichten, wat daarvan ook zij, sluit niet uit dat op de betreffende rekening stortingen plaats hebben kunnen vinden. Indien er daadwerkelijk geen bankafschriften over de in de geding zijnde periode voorhanden waren dan had appellant dit kunnen aantonen door middel van een uitdraai van zijn bank.(4)

Slechts een enkele keer wordt een bestuursorgaan op de vingers getikt, omdat zij teveel financiële gegevens van de aanvrager verlangd. Dat is bijvoorbeeld op 24 april 2007 gebeurd met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven. Het college had op 12 maart 2003 het besluit genomen de bijstand van een zelfstandig wonende inwoner van de Brabantse stad met ingang van 12 december 2002 te beëindigen. Daarna heeft de betrokkene meermalen wederom een aanvraag voor bijstand ingediend; onder andere op 25 februari 2004. Aangezien deze aanvraag, ook na het geven van een hersteltermijn, niet alle gegevens bevatte, werd de Eindhovenaar uitgenodigd voor een gesprek bij de Dienst Werk Zorg en Inkomen op 20 april 2004. In de uitnodiging voor dit gesprek werd hem verzocht schriftelijke en verifieerbare bewijsstukken mee te nemen waaruit zou blijken hoe hij voorzag - en in de daaraan voorafgaande periode had voorzien - in zijn levensonderhoud, en waaruit bleek dat een auto (Type: Ford Ka) door de moeder van appellant was gefinancierd. Dat laatste ging het rechtscollege echter te ver. Zij overwoog: De Ford Ka is in december 2001 aangeschaft en betaald. De Raad ziet onvoldoende grondslag voor het standpunt van het College dat de wijze van financiering van de Ford Ka in 2001 nog van betekenis kan zijn bij de beoordeling van de aanvraag van appellant in de thans in geding zijnde periode. Voorts staat vast dat het kenteken van de Ford Ka sedert 24 oktober 2002 niet meer op naam van appellant stond, zodat deze auto vanaf die datum in beginsel niet meer tot het vermogen van appellant diende te worden gerekend. Voor zover het College zich op het standpunt stelt dat de auto niettemin tot het vermogen van appellant diende te worden gerekend omdat hij degene was die feitelijk over de auto beschikte, overweegt de Raad dat het niet nodig was dat appellant gegevens over de waarde van de auto zou overleggen. Het College kon de waarde van de auto immers zelf bepalen, bijvoorbeeld aan de hand van de ANWB-koerslijst. (5) Dat neemt niet weg dat ook in deze zaak de aanvrager uiteindelijk geen uitkering kreeg. Zijn stelling dat anderen hem in de voorafgaande maanden van het nodige hebben voorzien was op geen enkele wijze onderbouwd. Het gaat daarbij om gegevens waarvan het - volgens de Centrale Raad van Beroep - appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van belang waren voor de vaststelling van het recht op bijstand vanaf de aanvraagdatum. Daarmee had hij zijn inlichtingenplicht geschonden en bijstandsuitkering verspeeld.

Voetnoten

1
CRvB, 21 maart 2007, LJN BA1387.
2
CRvB, 20 februari 2007, LJN AZ9205.
3
CRvB, 17 april 2007, LJN BA3159.
4
CRvB, 25 september 2007, LJN BB5267.
5
CRvB, 24 april 2007, LJN BA3844.