College van B&W;treedt na 28 jaar handhavend op

In Nederland geldt voor bestuursorganen een beginselplicht tot handhaving. In de jurisprudentie worden slechts twee bijzondere omstandigheden aangenomen waarin van bestuursorganen mag worden verlangd te gedogen: a) wanneer er een concreet uitzicht op legalisatie bestaat en b) wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Handhavend optreden is echter niet snel onevenredig, zo blijkt wel uit de zaak tussen de Stichting Huiskamerproject voor Drugsgebruikers en het College van B&W;van de gemeente Vlissingen waarin de ABRvS op 3 september 2008 uitspraak deed.(1)

De feiten

de Stichting Huiskamerprojekt voor Drugsgebruikers (hierna: HKPD) heeft de panden Coosje Buskenstraat 93 tot en met 99 te Vlissingen al meer dan 28 jaar in gebruik. Zij gebruikt de panden ten behoeve van opvang, therapie en begeleiding van personen die door verslaving aan drugs in moeilijkheden zijn gekomen. De zorg bestaat uit onder meer het verstrekken van methadon, het bieden van dagopvang en psychosociale begeleiding. In de panden is voorts een zogenoemde gebruikersruimte ingericht. Een buurtbewoner heeft de gemeente gevraagd om handhavend op te treden tegen de stichting, omdat het gebruik van de panden niet overeenkomt met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan.

Handhaving is niet-onevenredig

In beroep bij de bestuursrechter en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de stichting betoogd dat
handhavend optreden in casu zodanig onevenredig is in verhouding tot de met het bestemmingsplan te dienen belangen, dat het bestuursorgaan in dit geval van handhavend optreden had behoren af te zien. Zij voert hiertoe een aantal argumenten aan.

Het eerste argument dat de stichting aanvoert is dat zij de panden reeds 28 jaar in gebruik heeft en op korte termijn geen alternatieve locatie kan vinden. De Afdeling overweegt hieromtrent: Dat het college jarenlang het gebruik van de panden door HKPD ongemoeid heeft gelaten, is evenmin een zodanige bijzondere omstandigheid, dat geoordeeld moet worden dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen nalaten om in verband daarmee van handhavend optreden af te zien.

Het tweede argument dat de Stichting Huiskamerproject voor Drugsgebruikers naar voren heeft gebracht is dat haar sinds enkele jaren geen klachten over door haar of haar cliënten veroorzaakte overlast bekend zijn. Ook dat argument houdt bij de Afdeling geen stand. Dat de stichting sinds een aantal jaren geen klachten meer van omwonenden heeft vernomen, maakt handhavend optreden niet onevenredig.

Het derde en laatste argument dat de stichting in deze procedure heeft aangevoerd is dat zij op grond van een samenwerkingsovereenkomst die zij met de gemeente Vlissingen heeft gesloten, er op mocht vertrouwen dat het college met voortzetting van het huidige gebruik ter plaatse heeft ingestemd. Ook dit argument wordt echter niet gehonoreerd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is overeengekomen dat in afwachting van verhuizing van HKPD naar de President Rooseveltlaan niet tegen het gebruik zal worden opgetreden. Deze verhuizing is echter, naar niet in geschil is, niet meer voorzien.

Voetnoten

1
ABRvS 3 september 2008, LJN BE9715.