Geen gedwongen opname bij bedreigingen

Kan een psychiatrisch patiënt die in een psychose buurtgenoten beledigt en bedreigt, gedwongen worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis? Dat is de vraag die het Bundesgerichtshof in Duitsland op 12 juni 2008 moest beantwoorden.(1)

De feiten

Bij de 43-jarige verdachte is in 1990 een chronische psychose geconstateerd; hij lijdt aan een vorm van schizofrenie. Na twee mislukte zelfmoordpogingen heeft hij zich 19 maanden vrijwillig laten behandelen in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarna is hij ambulant begeleid, maar stopte met het innemen van zijn medicijnen. Op 27 november 2005 heeft hij in het huurhuis, met een aantal wooneenheden, waar hij woonde enkele medebewoners bedreigd.

 

De situatie:

Getuige S. hoorde een doffe knal. Toen hij de deur openende, trof hij verdachte aan die een baseballknuppel in de hand hield en zei: Wij moeten wat ophelderen. Hierop heeft getuige de deur gesloten en de politie gebeld. Dezelfde dag heeft verdachte ook bij getuige P. voor de deur gestaan. Hij sloeg met de baseballknuppel in zijn vlakke hand, terwijl hij zei: Nu is het zover. Kom naar buiten! Ook getuige P. heeft hierop de deur gesloten. Toen getuige S. de politie in zijn woning binnenliet, kwam de verdachte op hem toegelopen, beledigde hem en riep hem toe: Als ik in de gevangenis terechtkom, dood ik jullie allebei! Op 17 juli 2006 heeft de verdachte getuige S. nogmaals beledigd en verschrikkelijke scheldwoorden toegevoegd, terwijl hij hem met een knipmes bedreigde. Getuige S. is inmiddels verhuisd.

De uitspraak

In rechtsoverweging 17 stelt het Bundesgerichtshof dat de arrondissementsrechtbank Essen er terecht van uit is gegaan, dat vanwege de zwaarte van de ingreep in de persoonlijke vrijheid en rekening houdend met het beginsel van gepastheid (§ 62 StGB), alleen ernstige inbreuken in de rechtsorde - het moet ten minste om middelzware criminaliteit gaan - een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis kan rechtvaardigen.

§ 62 Strafgesetzbuch:
Eine Maßregel der Besserung und Sicherung darf nicht angeordnet werden, wenn sie zur Bedeutung der vom Täter begangenen und zu erwartenden Taten sowie zu dem Grad der von ihm ausgehenden Gefahr außer Verhältnis steht.

De aanname van de arrondissementsrechtbank - de grote waarschijnlijkheid dat de verdachte in de toekomst vaker het hem nu ten laste gelegde wederrechtelijk handelen tegenover Getuige S., belediging (§ 185 StGB) en bedreiging (§ 241 StGB), zal begaan - levert onvoldoende grond op om hem met toepassing van paragraaf 63 van het Duitse Wetboek van strafrecht op te nemen in een psychiatrisch ziekenhuis. De bewezen verklaarde feiten behoren niet tot de middelzware criminaliteit. De rechtbank heeft ook onderzocht of er bij de verdachte een hogere mate van waarschijnlijkheid bestaat dat hij in de toekomst zwaardere delicten zal gaan plegen. Dit was volgens de rechtbank niet het geval.

Als de waarschijnlijkheid van de dreigende daden niet uit het delict zelf blijkt, zoals bijvoorbeeld bij een misdrijf, komt het aan op de te vrezen concrete gestalte van daden, omdat de wettekst niet beperkt is tot bepaalde delictsbestanddelen. Dat wil zeggen dat ook bedreigingen in de zin van paragraaf 241 van het Duitse wetboek van strafrecht niet a priori als onbelangrijk in de zin van paragraaf 63 StGB beschouwd mogen worden. Doodsbedreigingen die zodanig zijn dat blijvend en ernstig afbreuk wordt gedaan aan het elementaire veiligheidsgevoel van de bedreigde, vormen een ernstige verstoring van de rechtsorde en zijn niet slechts hinderlijk. Met het oog op de zwaarte van de maatregel uit § 63 StGB is het echter wel noodzakelijk dat de bedreiging in dergelijke gevallen in zijn concrete vorm voor de betrokkene waarschijnlijk ook verwezenlijkt zal worden. Er had dus onderzocht moeten worden of het gevaar zich ook daadwerkelijk had kunnen verwezenlijken. Het enkele feit dat er bij de verdachte verboden wapens zijn gevonden, is daarvoor onvoldoende (zie: rechtsoverweging 19). 

Uiteindelijk is de zaak voor verdere afdoening door het Bundesgerichtshof teruggewezen naar een andere strafkamer van de arrondissementsrechtbank.

Voetnoten

1
BGH 12 juni 2008, zaaknr. 4 StR 140/08.