Verwonding kaakchirurg: patiënt moet aidstest ondergaan

Een mogelijk met HIV besmette patiënt laat zich behandelen door een kaakchirurg. Deze verwondt zich en eist daarop dat de patiënt meewerkt aan bloedafname ten behoeve van HIV-onderzoek. Volgens de Hoge Raad moet de patiënt aan een dergelijk onderzoek meewerken.

De aanleiding

Op 16 augustus 2001 heeft een kaakchirurg in Alkmaar bij het trekken van een verstandskies bij één van zijn patiënten zichzelf in zijn vinger gesneden. Via de hierdoor ontstane open wond is zijn bloed in aanraking gekomen met het bloed van de patiënt: een man die dankzij eerder drugsgebruik en een detentieverleden, gerekend kan worden tot de groep van personen met een verhoogd risico op besmetting met het HIV-virus.

De rechtsvraag

Kan de kaakchirurg de patiënt verplichten mee te werken aan bloedafname ten behoeve van een HIV-onderzoek?

De uitspraak

De patiënt komt een beroep toe op artikel 10 (recht op privacy) en 11 (onaantastbaarheid van het lichaam) van de Grondwet, maar deze grondrechten vinden hun grens in de bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Wanneer het een geschil betreft tussen burgers onderling, dan kan een zodanige beperking in beginsel worden gegrond op artikel 6:162 BW. Indien, zoals in dit geval, tussen burgers een overeenkomst is gesloten die in relevant verband staat met de reden die aan het verzoek tot medewerking ten grondslag ligt, kan een dergelijke beperking ook reeds voortvloeien uit de inhoud van de overeenkomst. Daarbij wordt de inhoud van de overeenkomst mede vastgesteld, met behulp van hetgeen naar de aard van de overeenkomst uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit. Burgers die met elkaar een overeenkomst zijn aangegaan, dienen een mate van zorgvuldigheid jegens elkaar in acht te nemen, die niet geldt jegens een willekeurige derde.

Die zorgvuldigheid brengt met zich mee dat de patiënt zich de belangen van de chirurg moet aantrekken voor zover het respecteren van deze belangen in verband staat met of voortvloeit uit de uitvoering van deze behandelingsovereenkomst. Om die reden kan van een patiënt verlangd worden dat hij ook na beëindiging van de behandelingsovereenkomst binnen redelijke grenzen het nodige doet om de schade, die de arts tijdens de behandeling heeft opgelopen, te beperken. Omdat de kans op verwezenlijking van het risico van een prik of snijaccident verbonden is aan het uitvoeren van de behandelingsovereenkomst tussen Y. en X., staat het feit dat de verwezenlijking van dit risico het gevolg is van Y.‘s eigen gedraging hieraan niet in de weg. (4.17)

In het onderhavige geval gaat het om een relatief geringe inbreuk op de door artikel 11 van de Grondwet gewaarborgde onaantastbaarheid van het menselijk lichaam. Er zal alleen wat bloed bij de patiënt worden afgenomen. Daar tegenover staat het belang van de kaakchirurg om te weten of hij is besmet met het HIV-virus en dientengevolge profylactisch medicijnen met zware bijwerkingen moet gaan gebruiken. Afweging van deze belangen leidt ertoe dat van X. verlangd kan worden dat hij zijn medewerking verleent aan het bloedonderzoek. Door zijn medewerking te weigeren is hij zijn uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting jegens Y. niet nagekomen, althans heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens Y, zo oordeelde het gerechtshof in rechtsoverweging 4.28. De Hoge Raad heeft de uitspraak bevestigd.(1)

Notitie

In deze casus was sprake van een concrete reden voor de vrees dat de patiënt besmet was met het HIV-virus. Eerder verschenen op dit weblog ook al berichten over een met HIV-besmette klant van een discotheek die weigerde mee te werken aan bloedafname, nadat hij tijdens zijn aanhouding een politieagent had HIV-besmette verdachte. Beide zaken speelden echter later dan de hierboven besproken zaak, doch zijn eerder op dit weblog besproken.

Voetnoten

1
HR 12 december 2003 NJ 2004, 117 / LJN AL8442.