Stemgeheim waterschapsverkiezingen voldoende gewaarborgd

Het door de waterschappen gehanteerde verkiezingssysteem is niet in strijd met het uitgangspunt dat verkiezingen in Nederland door middel van geheime stemming worden gehouden.

Op 11 november 2008 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag in een kort geding - dat was aangespannen door de Stichting ‘Wij vertrouwen stemcomputers niet’ tegen ondermeer de unie van Waterschappen - geoordeeld dat het stemmen per brief tijdens de waterschapsverkiezingen in 2008 niet in strijd is met het uitgangspunt dat verkiezingen door geheime stemming worden gehouden. De stichting heeft voor de voorzieningenrechter gevorderd dat op de stembiljetten geen gegeven zouden worden afgedrukt dat herleidbaar is tot een individuele kiezer, maar deze vordering is afgewezen.(1)

De aanleiding van het geding

Van 13 tot en met 25 november 2008 worden verkiezingen gehouden voor de besturen van de 26 waterschappen. Aanvankelijk was het de bedoeling dat deze verkiezingen via internet zouden plaatsvinden, maar nadat door meerdere kritische onderzoeksrapporten kritiek was geleverd op het hiervoor ontworpen systeem RIES (Rijnland Internet Election System), besloot de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat op 30 juni 2008 dat er toch alleen per brief gestemd mocht worden. Ook bij dit zogenoemde briefstemmen zal echter (een deel van) het systeem RIES gebruikt worden. Iedere stemgerechtigde krijgt namelijk een unieke code op zijn stembiljet afgedrukt. Deze zogenoemde stemcodes staan in combinatie met naam-, adres en woonplaatsgegevens in een vertrouwelijk bestand C10. Alleen de drukker van de stembiljetten beschikt over de sleutel waarmee het C10-bestand leesbaar en daarmee verwerkbaar kan worden gemaakt.

Het kort geding

De voorzieningenrechter wijst er in zijn vonnis op dat de waterschappen een systeem hanteren dat - in elk geval voor wat betreft de toepassing van het briefstemmen en het gebruik van de code - wordt voorgeschreven door de toepasselijke wet- en regelgeving. De vordering van de stichting komt dus neer op een vordering tot het buiten werking stellen van - in elk geval - een onderdeel van het Waterschapsbesluit (zijnde een algemene maatregel van bestuur en dus een algemeen verbindend voorschrift). (...) Voor ingrijpen bij wijze van voorlopige voorziening is slechts plaats indien het bestreden voorschrift onmiskenbaar onverbindend is. Deze terughoudendheid houdt hiermee verband dat het in beginsel niet aan de rechter maar aan de materiële wetgever is, om bepaalde betrokken belangen vast te stellen en/of af te wegen. In dit geval was de materiële wetgever, gelet op artikel 2.45 van het Waterschapsbesluit (zie hiervoor onder 1.2), kennelijk van oordeel dat het stemgeheim voldoende was gewaarborgd.(2) Hoewel ook de rechter aanleiding ziet voor twijfels rondom de waarborgen rond het stemgeheim tijdens de waterschapsverkiezingen (Zie ro. 4.13), is de Stichting er volgens hem niet in geslaagd voldoende overtuigend aan te tonen dat de huidige waarborgen onvoldoende zijn.

Voetnoten

1
Vz. Rb. ’s-Gravenhage 11 novembr 2008, LJN BG3907.
2
Ro. 4.4.