De zijgrens van de gemeentelijke verordenende bevoegdheid

Aan de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad (Art. 108 lid 1 jo. 149 Gem.wet) zitten grenzen: een territoriale, een boven- een onder-, maar ook een zijgrens. Van de zijgrens is sprake wanneer de gemeenteraad een gedraging regelt, die ook door een wetgever van gelijke rang - maar met een ander oogmerk - kan worden bestreken.

Een voorbeeld

Een voorbeeld is te vinden in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 2008 in het geding tussen het college van burgemeester en wethouders van Gouda en een appellant.(1) Appellant had ingevolge de Vaartuigenverordening 1999 van de gemeente Gouda een vergunning aangevraagd voor een ligplaats voor zijn woonschip. Het college had deze vergunning geweigerd, omdat het woonschip dieper onder de waterlijn zou liggen dan op grond van artikel 6, vijfde lid, aanhef en onder b, jo. de bijlage van die verordening was toegestaan (0,9 meter). Deze zogenoemde diepgangeis was lager dan de diepgangeis die in het Keur Rijnland 2006 van het waterschap Rijnland was opgenomen en appellant voerde voor de bestuursrechter dan ook aan dat de bepaling uit de gemeentelijke verordening onverbindend was.

De rechtsvraag

Is het de gemeenteraad van Gouda toegestaan diepgangeisen voor woonschepen in een gemeentelijke verordening op te nemen, terwijl de keur van het waterschap - die op hetzelfde water ziet - hier ook reeds in voorziet?

De uitspraak

Om deze rechtsvraag te kunnen beantwoorden, heeft de Afdeling moeten onderzoeken of de gemeentelijke verordening opgesteld is met een ander oogmerk dan de keur van het waterschap. Dat bleek het geval. In rechtsoverweging 2.2.2 zegt de ABRvS hierover: De diepgangeis uit artikel 6, vijfde lid, van de verordening, heeft, anders dan de Waterschapswet en de daarop gebaseerde keur, geen betrekking op de behartiging van waterstaatkundige belangen, maar ziet uitsluitend op het ordelijk gebruik van de ligplaatsen voor vaartuigen. Met de diepgangeis wordt onder meer beoogd schade aan walbeschoeiingen te voorkomen. Nu dit een belang is dat de gemeentelijke huishouding betreft ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gemeenteraad van Gouda met het vaststellen van de in artikel 6, vijfde lid, van de verordening opgenomen afwijzingsgrond, buiten de grenzen van de in artikelen 108, eerste lid, en 149 van de Gemeentewet neergelegde bevoegdheid om verordeningen te maken die in het belang van de gemeente nodig worden geoordeeld, is getreden.

Voetnoten

1
ABRvS 2 april 2008 Gst. 2008, 109 m.nt. D.E. Bunschoten.