Afgeleid belang en toch belanghebbende

De huurder van een object heeft veelal slechts een afgeleid, aan de eigenaar parallel belang. Kan hij toch als derde-belanghebbende een bezwaarschrift indienen tegen de weigering een bouwvergunning te verlenen? Volgens de ABRvS is dat in bepaalde omstandigheden inderdaad het geval.

De Derde-belanghebbende

Artikel 1:2 Awb definieert het belanghebbende-begrip als volgt. Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bij normadressanten is het duidelijk: als een besluit zich rechtstreeks tot een persoon richt, dan heeft diegene een belang dat rechtstreeks bij dat besluit betrokken is. Voor derde-belanghebbenden ligt het ingewikkelder. Een natuurlijke of rechtspersoon die geen normadressant is van een door een besluit gegeven norm, heeft slechts een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang als aan vijf voorwaarden voldaan is: 1) eigen belang; 2) persoonlijk belang; 3) objectief bepaalbaar belang; 4) actueel, voldoende zeker belang; en 5) direct geraakt belang.

De eerste eis spreekt (in het algemeen) voor zich. De tweede eis duidt op de voorwaarde dat een derde-belanghebbende alleen mag opkomen voor een bijzonder individueel persoonlijk belang. De derde-belanghebbende mag dus niet opkomen: voor iemand anders, voor het algemeen belang of voor een algemeen ethisch oordeel. Zijn belang moet ook objectief bepaalbaar zijn, want een belang dat slechts in de subjectieve belevingswereld van iemand bestaat en niet objectief bepaalbaar is, levert geen belanghebbendheid op. Dat wil niet zeggen dat dit belang niet immaterieel kan zijn; de kwaliteit van de woonomgeving is bijvoorbeeld best objectief bepaalbaar. De vierde eis, de eis van een actueel en voldoende zeker belang, brengt tot uitdrukking dat iemand alleen derde-belanghebbende bij een besluit kan zijn, als hij op het moment van het nemen van het besluit ook daadwerkelijk al een direct en onomstotelijk belang heeft. En tot slot moet er voldoende causaal verband zijn tussen het besluit en iemands belang. Mensen met een afgeleid belang, d.w.z. mensen die een belang hebben via het belang van een ander bij het besluit, hebben geen direct geraakt belang. Ook niet als hun belang veel groter is dan dat van de direct-belanghebbende.(1) En op die laatste regel wordt door de Afdeling Bestuursrechtspraak in een uitspraak van 21 november 2007 een uitzondering gemaakt.(2)

De aanleiding

Appellant A heeft in 2001 in de gemeente De Bilt een mast geplaatst waarin de aanbieder van mobiele telecommunicatie T-Mobile, althans haar rechtsvoorgangster, een GSM-installatie heeft gehangen. Hiervoor was geen bouwvergunning verleend. Appellant A, de eigenaar van de mast, heeft pas later een bouwvergunning aangevraagd, maar het College van Burgemeester en Wethouders weigerde de gevraagde vergunning te verlenen. T-mobile heeft, naast Appellant A, ook een bezwaarschrift ingediend tegen deze weigering en is eveneens in beroep gegaan tegen de beslissing op het bezwaarschrift bij de bestuursrechter.

Fundamenteel recht veroorzaakt eigen belang

Normaal gesproken zou een huurder een afgeleid belang hebben, en daardoor niet als derde-belanghebbende tot de procedure toegelaten mogen worden. In rechtsoverweging 2.4 zegt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de ontvankelijkheid van T-Mobile desalniettemin het volgende: T-Mobile heeft in haar hoedanigheid van huurster van de mast slechts een afgeleid, aan de aanvrager parallel, belang. Zij heeft zich echter op het standpunt gesteld dat zij daarnaast wordt getroffen in een aan het in artikel 10, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) ontleend fundamenteel recht. Gelet op de door haar overgelegde plotkaarten die het dekkingsgebied van de GSM-installatie aangeven, moet worden geoordeeld dat er feitelijk een reële mogelijkheid bestaat dat T-Mobile door de weigering om bouwvergunning te verlenen in haar aan dat fundamenteel recht ontleend belang zal worden geschaad, zodat ook hierin een voldoende eigen belang is gelegen om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Veel heeft de aanbieder van mobiele telecommunicatie overigens niet aan deze ontvankelijkheid gehad, want haar beroep werd uiteindelijk ongegrond verklaard. In rechtsoverweging 2.7 stelde de afdeling: “T-Mobile heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de weigering om bouwvergunning te verlenen de opbouw van een landelijk dekkend netwerk wordt beperkt. Weliswaar zijn in hoger beroep plotkaarten overgelegd, doch daaruit kan niet worden afgeleid dat het perceel de strikt noodzakelijke locatie is in Bilthoven om een landelijk dekkend netwerk te bereiken.”

Korte analyse

Als er een reële mogelijkheid bestaat dat iemand door een besluit in zijn aan een fundamenteel recht ontleend belang wordt geschaad, dan moet hij worden aangemerkt als belanghebbende. Voor de ontvankelijkheidsvraag hoeft dus niet vastgesteld te worden dat het betreffende recht inderdaad geschonden is; het aanwezig zijn van een reële mogelijkheid is voldoende.

Voetnoten

1
L.J.A. Damen e.a., Bestuursrecht: Deel 1, 2e druk (2005), Pg. 131 t/m 139.
2
ABRvS 21 november 2007, AB 2008, 9 m.nt. B.W.N. de Waard. (Biltse telecommast)