Ambtelijk bevel vereist expliciete grondslag

Kan een politieagent een burger een ambtelijk bevel geven op grond van artikel 2 Politiewet 1993? De Hoge Raad meent van niet.(1) Dat artikel is geen wettelijk voorschrift dat de betrokken ambtenaar nadrukkelijk de bevoegdheid toekent tot het doen van een vordering.

In Leeuwarden bevond zich een leegstaand schoolgebouw. Dit gebouw werd door een groep mensen gekraakt. Op 23 mei 2004 werd het gebouw ontruimd, maar verdachte gaf geen gevolg aan de vordering van de inspecteur van politie om zich van het terrein te verwijderen. Hierop werd hij gearresteerd en vervolgd (Art. 184 lid 1 Sr) voor het opzettelijk geen gevolg geven aan de vordering van deze ambtenaar, dat verdachte zich moest verwijderen.

Art. 184 lid 1 Sr:
Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

De vraag die de strafkamer van de Hoge Raad in deze zaak moest beantwoorden, was de volgende: wanneer is er sprake van een ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedane vordering als bedoeld in artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht? In rechtsoverweging 3.4 wordt die vraag als volgt beantwoord: “Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan.” De algemene taakomschrijving van de politie levert dus onvoldoende wettelijke grondslag op om een vordering krachtens artikel 184 lid 1 Sr te kunnen geven. Dat neemt echter niet weg dat bedoelde ambtenaren, op grond van hun algemene taakomschrijving, handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen een overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.

Hoewel dit arrest in eerste instantie - en in hoofdzaak - natuurlijk betrekking heeft op het Nederlandse strafrecht, zit er ook een staatsrechtelijk element in: het legaliteitsbeginsel. Al het overheidsoptreden moet plaatsvinden door instanties / ambten die daartoe door of krachtens de (Grond)wet een bevoegdheid is gegeven. In casu werd het legaliteitsbeginsel geschonden. Artikel 2 Politiewet 1993 biedt immers onvoldoende wettelijke grondslag voor een bevel als bedoeld in artikel 184 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Voetnoten

1
HR 29 januari 2008; LJN BB4108.