Journalist blijft verantwoordelijk voor berichtgeving

Op 12 maart 2008 heeft de rechtbank Maastricht uitspraak gedaan in een zaak die een oud-raadslid van de gemeenteraad van Arcen en Velden had aangespannen tegen dagblad De Limburger en twee journalisten. Is een journalist ook verantwoordelijk voor wat hij optekent uit de monden van buurtbewoners?

Eiser woonde in een appartementencomplex en heeft zitting gehad in de gemeenteraad van de gemeente Arcen en Velden. Twee journalisten van dagblad De Limburger publiceerden op 25 augustus 2005 een artikel waarin zij onder andere de mening van enkele bewoners optekenden: Raadslid [eiser] gedraagt zich als ‘een psychologisch terrorist’ en ‘querulant’ in wooncomplex [naam] in [naam gemeente]. Een paar maanden later verscheen in dezelfde krant een tweede artikel, waarin deze kwalificaties nogmaals in herinnering werden geroepen.

Nadat eiser op 28 september 2006 door de Raad voor de Journalistiek gedeeltelijk in het gelijk was gesteld(1) - namelijk voor wat betreft zijn bezwaren tegen het gebruik van de term “(psychologisch) terrorist” - is hij een actie uit onrechtmatige daad gestart tegen de krant en beide journalisten. In deze civiele procedure vorderde hij schadevergoeding, omdat hij door de publicaties in zijn persoonlijke integriteit is aangetast.

Hoewel de rechtbank niet gebonden is aan het oordeel van de Raad voor de Journalistiek, valt het op dat beiden dezelfde argumentatielijn gebruiken om te onderbouwen dat de term (psychologisch) terrorist een te grote aantasting is van iemands persoonlijke integriteit. Een dergelijke aantijging is ernstig en van verstrekkende aard. Bovendien heeft de kwalificatie ‘terrorist’ in de afgelopen jaren een extra negatieve lading gekregen. De rechtbank laat daarbij verder nog meewegen dat de kwalificatie in een koptekst bij een artikel is gebruikt. Vooral doordat hij in de kop van het artikel van 25 augustus 2005 op de voorpagina van het regionale nieuws van dagblad De Limburger als terrorist is gekwalificeerd, is hij in zijn persoonlijke integriteit aangetast. Aldus hebben de Limburger c.s. zijn recht op eer en goede naam geschonden.(2) Dat roept de vraag op of - als de kwalificatie niet óók in de koptekst was gebruikt, het oordeel van de rechtbank anders zou zijn uitgevallen. Ik vermoed dat dit niet het geval zou zijn geweest.

De gewraakte uitlating is niet van de journalisten zelf, maar door hen opgetekend uit de mond van iemand anders. Eerder had de Raad voor de Journalistiek al geoordeeld dat dit geen goed excuus is. De enkele stelling dat bewoners van het appartementencomplex dit over klager gezegd zouden hebben, is daartoe onvoldoende. Door klager zonder deugdelijke onderbouwing te kwalificeren als ‘een psychologisch terrorist’ hebben verweerders de grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. De rechtbank maakt evenzeer korte metten met dit excuus en stelt dat het optekenen van iemands woorden De Limburger als uitgever en de beide journalisten niet ontslaat van hun eigen verantwoordelijkheid jegens eiser voor de inhoud en de verspreiding van de artikelen. Met het alleen tussen aanhalingstekens plaatsen van dergelijke diffamerende teksten wordt nog niet voldoende afstand genomen van de gebezigde woorden: die pontificaal in een koptekst op de voorpagina van de regionale krant zijn afgedrukt.

Voetnoten

1
Raad voor de Journalistiek, 28 september 2008 nr. 2006/72 (Van Heest / Dagblad De Limburger).
2
Rb. Maastricht, 12 maart 2008, LJN: BC6333 Ro 3.3.