Samenscholingsverbod Utrecht

De sector kanton van de rechtbank Utrecht heeft op 13 februari 2007 zeven jongeren, die verdacht werden van het overtreden van het samenscholingsverbod in de Utrechtse wijk Kanaleneiland-Noord, vrijgesproken.(1)

De jongeren was ten laste gelegd dat zij op 25 oktober 2007 het samenscholingsverbod uit artikel 10 lid 1 van de APV van Utrecht zouden hebben overtreden. Daarin stond het volgende: Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan de weg (...) deel te nemen aan een samenscholing (...). Overtreding van bepalingen uit de APV van Utrecht was strafbaar gesteld in artikel 125 van die verordening. Het artikel luidde als volgt: Overtreding van de artikelen en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.

Samenscholing

Wanneer is er sprake van samenscholing? De rechter in deze zaak zocht voor de uitleg van het begrip samenscholing aansluiting bij het algemeen spraakgebruik en bij de achterliggende strekking van de verbodsbepaling. Van samenscholing is dan sprake als mensen een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben en groepsgewijze bij elkaar komen. De groepsvorming zorgt in dergelijke gevallen voor (dreigende) ongeregeldheden en wanordelijkheden.

Vrijspraak

De sector kanton van de rechtbank Utrecht heeft de jongeren vrijgesproken, omdat het ten laste gelegde feit niet bewezen kon worden. Aansluitend bij de betekenis volgens algemeen spraakgebruik en de strekking van de bepaling oordeelt de kantonrechter dat het enkel samenzijn van een groepje mensen onvoldoende is om van samenscholing te spreken. Er zal hoe dan ook sprake moeten zijn van (dreigende) verstoring van de openbare orde. Dit laatste zal telkens feitelijk vastgesteld dienen te worden aan de hand van de uiterlijke verschijningsvorm en de gedragingen van een groep, mede bezien in samenhang met plaatselijke omstandigheden.

Analyse

Misschien voor inwoners van Kanaleneiland-Noord even schrikken, maar het lijkt mij wel een juiste toepassing van het recht. Je kunt potentiële ordeverstoorders niet verbieden om zich in een groepje van vijf of meer mensen op straat op te houden. Er is iets meer nodig, namelijk: een (dreigende) verstoring van de openbare orde. Iedereen die zich in Nederland bevindt, heeft immers recht op het in artikel 12 van het IVBPR neergelegde recht vrijelijk een verblijfplaats te kiezen. Kan dit recht dan niet worden beperkt? Jawel, maar op grond van artikel 12 lid 3 IVBPR alleen als de beperking bij wet voorzien is (daar wordt in casu aan voldaan: art. 10 APV Utrecht), nodig is ter bescherming van één van de doelcriteria (in casu bijvoorbeeld bescherming van de openbare orde) en verenigbaar is met de andere, in het IVBRP erkende, rechten. Zodra uit feitelijke omstandigheden blijkt dat er inderdaad een verstoring van de openbare orde plaatsvond of dreigde plaats te vinden, kunnen de hangjongeren worden opgepakt.

Voetnoten

1
Rb. Utrecht, 13 februari 2008, LJN BC4162. Rb. Utrecht, 13 februari 2008, LJN BC4202.