Gegevensverstrekking uit politieregister over (potentiële) contractspartner niet toegestaan

Mag de Staat der Nederlanden c.q. Rijkswaterstaat gebruik maken van het politieregister om te onderzoeken of een eventuele contractspartner in een civielrechtelijk samenwerkingsverband geschikt is om beperkte politietaken uit te voeren? Op deze vraag heeft de Hoge Raad in een in februari 2004 gewezen arrest een antwoord geformuleerd.(1)

De aanleiding

In 1996 begon Rijkswaterstaat de ‘pilot incident management’. Dit was een proefproject dat ten doel had de samenwerking tussen Rijkswaterstaat, de politie en particuliere bergingsbedrijven te verbeteren, zodat de doorstroming van het verkeer tijdens en na verkeersongelukken bevorderd zou worden. Eén van de manieren waarop men dit wilde bereiken, was het door particuliere bergingsbedrijven laten uitvoeren van een beperkt aantal werkzaamheden die tot de taak van de politie behoren. Men denke daarbij aan het maken van foto’s, het zetten van krijtstrepen op het wegdek en dergelijke feitelijke werkzaamheden naar aanleiding en ter plaatse van een verkeersongeval.

Om te weten welke bedrijven geschikt waren om politietaken te verrichten, werden potentiële contractspartners gescreend. Een van deze potentiële partners was het bedrijf Bergingscentrale Amsterdam BV (hierna: BAC), dat al vaker opdrachten van Rijkswaterstaat had gekregen. Het bedrijf kwam de screening echter niet door, omdat de officier van justitie meldde dat in het politieregister informatie was opgenomen over 1992 tot heden afkomstig van lopende- en afgeronde strafrechterlijke onderzoeken alsmede van de regionale criminele inlichtingendienst (RCID) Amsterdam-Amstelland. De verstrekte informatie betrof (een samenvating van) aan de officier verstrekte gegevens uit een of meer politieregisters, waarop de Wet politieregisters van toepassing was.

Het vonnis van de Hoge Raad

Voor de vraag gesteld of onderdelen van de overheid in bepaalde gevallen gebruik mogen maken van het politieregister om derden waarmee zij een civielrechtelijk samenwerkingsverband aan wil gaan te screenen, heeft de Hoge Raad - evenals het gerechtshof - als uitgangspunt genomen dat de Wet politieregisters een gesloten systeem van verstrekkingen kent.(2) Dat wil zeggen dat de politie alleen tot gegevensverstrekking mag overgaan als daartoe een uitdrukkelijke bevoegdheid bij of krachtens de wet is toegekend. De grondslag voor het verstrekken van informatie uit het register aan leden van het openbaar ministerie is te vinden in art. 15 lid 1 Wet politieregisters, maar in casu biedt dit artikel onvoldoende grondslag voor het voorgevallene. In rechtsoverweging 3.6 noemt de Hoge Raad twee redenen. Ten eerste heeft de officier van justitie in casu de politiegegevens niet gebruikt in zijn hoedanigheid van verantwoordelijke voor opsporing en vervolging, maar uitsluitend opgevraagd teneinde hem in de gelegenheid te stellen (een samenvatting van) deze gegevens door te geven aan een derde (Rijkswaterstaat) die door de wet niet wordt aangewezen als daartoe gerechtigde. En ten tweede geschiedde het doorgeven van de politiegegevens in het kader van een onderzoek naar de (on)geschiktheid van BCA als eventuele contractspartner van Rijkswaterstaat bij een civielrechtelijk samenwerkingsverband; een doel voor verstrekking van informatie dat de Wet politieregisters niet kent.

Toch nog gegevensverstrekking

Mogen er dan helemaal geen gegevens worden uitgewisseld om potentiële contractspartners te screenen? Jawel, maar binnen de grenzen die de wet stelt. Het gerechtshof hield nog een kleine opening voor het verstrekken van politiegegevens uit de politieregisters buiten de mogelijkheden die de wet biedt. Namelijk als er omstandigheden zijn van zo groot en dringend belang, dat de onderhavige gegevensverstrekking bij wijze van uitzondering een inbreuk op het gesloten systeem zouden kunnen rechtvaardigen. Maar daar zal niet snel sprake van kunnen (en vanuit de rechtsstaatgedachte ook niet mogen) zijn. Daarnaast was er ten tijde van deze zaak een, inmiddels ingetrokken, Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. De Wet politieregisters strekt niet ertoe om via de weg van art. 30 lid 1 in verbinding met art. 15 de door die wet geboden mogelijkheden te verruimen. Wél is er sinds 1996 een heleboel veranderd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo zijn de mogelijkheden van de huidige Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur ruimer en heeft de regering in 1998 gebruik gemaakt van haar bevoegdheid, bij algemene maatregel van bestuur, een regeling op dit punt op te stellen (Vgl. art. 18 lid 3 Wet politieregisters jo. 14 lid 1 onder u Besluit politieregisters.

Voetnoten

1
HR 27 februari 2004; LJN LJN AM2359.
2
TK Kamerstukken 1988-1989, 19 589, nr. 11, blz. 25.