Art. 3:17 Awb: belangrijk, maar niet doorslaggevend

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leek (provincie Groningen) heeft op 20 december 2006 een revisievergunning afgegeven voor een melkrundveehouderij en een mestvergistingsinstallatie. De beschikking is voorbereid middels de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat wil zeggen dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig waren voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage heeft gelegd (Art. 3:11 Awb), zodat belanghebbenden naar keuze mondeling of schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren konden brengen (Art. 3:15 lid 1 Awb).

Alleen degenen die tijdig zienswijzen tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend, hebben het recht om bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in beroep te gaan tegen de verleende vergunning (Art. 6:13 Awb). En daar zit de crux van deze zaak, want wanneer is er sprake van het inbrengen van mondelinge zienswijzen? Is het bestaan van een schriftelijk verslag van het mondeling ingebrachte daarvoor doorslaggevend?

Appellante B claimt op 17 oktober 2006 in een gesprek met een ambtenaar van de gemeente haar zienswijzen naar voren te hebben gebracht, maar het College stelt dat dit gesprek slechts informatief van aard is geweest. Ware het anders, dan had men wel conform artikel 3:17 Awb een schriftelijk verslag gemaakt van de mondeling ingebrachte zienswijzen. Bovendien heeft de betreffende ambtenaar een dag na het gesprek nog een interne memo opgesteld, waarin expliciet wordt vermeld dat het gesprek met appellante B niet als het indienen van mondelinge zienswijzen moet worden aangemerkt. In de brief die hij op dezelfde dag naar appellante B verstuurde, en waarin hij inging op hetgeen een dag eerder tussen hen besproken was, liet hij deze mededeling achterwege.

De Afdeling overweegt daarom in rechtsoverweging 2.5 van haar uitspraak van 29 augustus 2007 in deze zaak, dat mede in aanmerking genomen hetgeen blijkens de brief van 18 oktober 2006 in het gesprek ten gemeentehuize omtrent het ontwerp-besluit met appellante door haar aan de orde is gesteld, appellante uit deze brief niet hoefde te begrijpen dat het gesprek van 17 oktober 2006 door verweerder niet als het indienen van mondelinge zienswijzen werd aangemerkt. Dat geen verslag als bedoeld in artikel 3:17 van de Awb is opgesteld, maakt dit niet anders.(1) In dit geval heeft het bestuursorgaan de zienswijzen van appellante B dus ten onrechte niet meegenomen in de beoordeling van de aanvraag, zodat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en vernietigd moet worden. We mogen dus concluderen dat het bestaan van een schriftelijk verslag (Art. 3:17 Awb) niet maatgevend is voor het antwoord op de vraag of mondelinge zienswijzen (Art. 3:15 Awb) zijn ingebracht.

Voetnoten

1
ABRvS 29 augustus 2007, AB 2007, 399 m.nt. F.C.M.A. Michiels.