Een vuistregel voor bedenkingen

De grens tussen informatieve gesprekken enerzijds en het mondeling inbrengen van bedenkingen anderzijds, is soms moeilijk te trekken. Maar ook bij schriftelijke stukken is niet altijd duidelijk of zij bedenkingen bevatten. Wanneer is er een bedenking? Dat is één van de vragen die de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak op 3 november 2004 heeft beantwoord.(1)

De feiten

Op 13 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, nabij Hilversum, een revisievergunning verleend voor een trainingscentrum voor sportpaarden en een paardenpension. Daarbij is de, inmiddels door de uniforme openbare voorbereidingsprocedure vervangen, uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.5 van de Awb gebruikt. Conform deze procedure heeft het ontwerpbesluit vier weken ter inzage gelegen, zodat een ieder zijn of haar bedenkingen tegen het voorgenomen besluit kon inbrengen bij het bestuursorgaan (Art. 3:24 lid 1 Awb (oud)).

Bedenkingen

Appellanten hebben inderdaad een brief naar het college van burgemeester en wethouders gestuurd, maar deze brief bevat - zo concludeert de Afdeling - geen bedenkingen in de zin van artikel 3:24 lid 1 Awb (oud). Gelet op de toelichting bij deze Awb-bepaling worden aan de motivering van de bedenkingen weliswaar geen strenge eisen gesteld, maar er moet toch wel tenminste beknopt worden aangegeven waarom de indiener zich niet met het ontwerp kan verenigen. De bedenkingen ‘inbreuk op persoonlijke en zakelijke rechten’ en ‘in het algemeen en in het bijzonder strijd met betreffende milieuregelgeving’ zijn naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende concreet om als bedenkingen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht te gelden. In de overige bedenkingen ligt daarentegen naar het oordeel van de Afdeling, doordat deze met een concreet hinderaspect worden aangeduid, de motivering, zij het summier, voldoende besloten.

Tegenwoordig heeft de Algemene wet bestuursrecht het niet meer over bedenkingen, maar over zienswijzen. Door juristen wordt echter aangenomen dat de eisen die de Afdeling aan bedenkingen stelde, ook nu nog gesteld worden aan zienswijzen. Dus mocht u binnenkort op grond van artikel 3:15 Awb in een uniforme openbare voorbereidingsprocedure nog mondeling of schriftelijk uw zienswijzen in willen brengen, zorg dan in ieder geval dat uw bedenkingen: betrekking hebben op het ontwerpbesluit, voldoende concreet zijn en aangeven wat u tegen het betrokken ontwerpbesluit heeft.

Voetnoten

1
ABRvS 3 november 2004, JB 2004, 393.