Pensioenontslag verkeersvliegers

Een groep piloten van Martinair Holland NV hebben in 2002 een zaak aangespannen tegen hun werkgever. Zij meenden dat het pensioenontslag op 56-jarige leeftijd, zoals dit vastgelegd was in hun CAO, in strijd was met het verbod van discriminatie zoals dat in artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag Inzake Burger- en Politieke rechten (afgekort: IVBPR) ligt besloten.

De piloten hadden allemaal een arbeidscontract voor onbepaalde tijd bij Martinair, waarop de ‘CAO voor vliegers Martinair Holland NV’ van toepassing was. In deze CAO was vastgelegd dat de arbeidsovereenkomst met verkeersvliegers, zonder dat daartoe opzegging vereist was, wegens pensionering zou eindigen per de eerste dag van de maand samenvallend met, dan wel eerstvolgende op de 56e verjaardag van de (gewezen) werknemer (Art. 5.2 lid 4 onder a CAO voor vliegers Martinair Holland NV jo. art. 1 lid 1 sub g Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds Vliegers Martinair Holland). Piloten die langer wilden blijven doorwerken, konden hun verplicht pensioenontslag twee jaar uitstellen, door vanaf hun achtenveertigste minder (80%) te gaan werken. Aan de invoering van het functioneel leeftijdsontslag lagen in de jaren ‘70 van de twintigste eeuw met name redenen van verkeersveiligheid en gezondheid ten grondslag. In die tijd deed het werk van verkeersvlieger een groter beroep op het (fysieke) gestel van de vlieger dan heden ten dage. Het pensioenontslag bleef echter gehandhaafd, om een regelmatige en voorspelbare doorstroming binnen het vliegerkorps te bevorderen.

Het toepassen van leeftijdsonderscheid is alleen rechtmatig als hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Hiervoor dient de rechter drie maatstaven te gebruiken: legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit.(1) Deze drie maatstaven kan men in drie vragen herformuleren: bestaat voor het gemaakte onderscheid een legitiem doel?; is het gemaakte onderscheid passend voor het bereiken van dit doel?; en is het gemaakte onderscheid geboden om dit doel te bereiken? In haar uitspraak op het cassatie-beroep oordeelde de Hoge Raad dat er in casu inderdaad een objectieve rechtvaardiging bestond voor het gemaakte onderscheid op basis van leeftijd. De Hoge Raad sloot zich hiermee aan bij wat de rechtbank eerder had uitgesproken. Het legitieme doel voor het onderscheid bestond hierin dat de regelmatige en voorspelbare doorstroming van verkeersvliegers hierdoor werd verzekerd. Dat had voor de vliegtuigmaatschappij als voordeel dat er zowel een basis was voor haar personeelsbeleid als voor een evenwichtig en betaalbaar belonings- en pensioenstelsel voor deze gespecialiseerde groep werknemers, terwijl de piloten - wat betreft het kunnen bereiken van de hoogste functietrede - wisten waar zij aan toe waren. Het middel was doelmatig, omdat de gewenste doorstroming met een verplichte pensionering op 56-jarige leeftijd van verkeersvliegers kon worden bereikt. Verder werd zij door de rechter proportioneel geacht, omdat de eisers niet aannemelijk hadden kunnen maken dat in de huidige omstandigheden enig alternatief voor het bereiken van de doorstroming voorhanden was.(2)

Voetnoten

1
HR 8 oktober 2004, NJ 2005, 117 m.nt. GHvV ov. 3.4.2 (Pensioenontslag Verkeersvliegers).
2
HR 8 oktober 2004, NJ 2005, 117 m.nt. GHvV ov. 3.5 (Pensioenontslag Verkeersvliegers).