Wingrove v. Verenigd Koninkrijk

Levert een verbod op de openbaring en verspreiding van een godslasterlijke videofilm een schending op van artikel 10 EVRM? Dat is de vraag die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 25 november 1996 in Straatsburg (Frankrijk) moest beantwoorden.(1)

De feiten:

De in Londen wonende scriptschrijver en filmregisseur N. Wingrove heeft een 18 minuten durende film gemaakt waarin geen woord wordt gesproken. De film, getiteld Visions of Ecstasy, bestaat louter en alleen uit muziek en bewegende beelden. In de film is onder andere te zien hoe een non (de heilige Teresa), gekleed in een wit habijt, aan haar polsen is vastgebonden en opgetrokken, terwijl een bijna naakte tweede vrouw naar haar toe kruipt en haar lichaam bedekt met kussen. Deze scène wordt afgewisseld met een andere, waarin de heilige Teresa de stigmata van het lichaam van Christus - dat aan het kruis op de grond ligt - kust en aflikt. Zij maakt daarbij bewegingen die van hevige erotische opwinding getuigen, en kust Zijn lippen. Afgezien van de aftiteling, die enige seconden op het scherm verschijnt, kan de kijker niet weten dat de non de heilige Teresa en de andere vrouw haar geest voorstellen.

De film is ingezonden bij de British Board of Film Classification teneinde een classificatie te krijgen. Deze classificatie is op grond van de Video Recordings Act 1984 noodzakelijk om de film in het Verenigd Koninkrijk onder het algemene publiek te mogen verspreiden, maar werd geweigerd omdat de film godslasterlijk zou zijn.

De rechtsvraag:

Levert een verbod op de openbaring en verspreiding van een godslasterlijke videofilm een schending op van artikel 10 EVRM?

Het finale oordeel:

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens onderzoekt eerst of de beperking van de vrijheid van meningsuiting bij wet is voorzien. Daarbij roept zij de Sunday Times uitspraak(2) in herinnering. In die uitspraak is vastgesteld dat een wet in de zin van het EVRM voldoende precies geformuleerd moet zijn, zodat degenen die ermee in aanraking komen - zo nodig na inwinning van een deugdelijk juridisch advies - in staat zijn om, in een mate die redelijk is in de gegeven omstandigheden, de consequenties van een bepaalde handeling te kunnen voorzien. Het Hof erkent dat de wetsovertreding van blasfemie naar zijn aard niet precies juridisch gedefinieerd kan worden. Nationale autoriteiten moet daarom een zekere mate van flexibiliteit gegund worden om vast te stellen of de feiten in een bepaalde zaak binnen de geaccepteerde definitie van het delict vallen (§ 42). Die geaccepteerde definitie was er in Groot-Brittannië voor het delict godslastering. Iedere neerbuigende, schimpende, grove of potsierlijke inhoud die aan God, Jezus Christus of de Bijbel is gerelateerd (...). Het is niet blasfemisch om meningen uit te spreken of te publiceren die strijdig zijn met de Christelijke religie als de openbaring fatsoenlijk en gematigd is.(3) Aan de eis van kenbaarheid en voorzienbaarheid werd aldus volgens het Hof voldaan.

Het tweede criterium dat het EHRM onderzoekt is of het mensenrecht is beperkt ten behoeve van één of meer van de in artikel 10, tweede lid, EVRM opgesomde doelcriteria. Overweging 48: Het Hof merkt ten eerste op dat, zoals naar voren gebracht door de British Board of Film Classification, het doel van de inbreuk was om bescherming te bieden tegen de behandeling van een religieus onderwerp op een manier waarvan gezegd kan worden dat deze hen die welwillend en sympathiek staan tegenover de Christelijke overlevering en ethiek zou beledigen, vanwege zijn verachtende, smadende, beledigende, grove of potsierlijke toonzetting, stijl en geest waarin het onderwerp wordt opgevoerd. Dit is een doel dat ontegenzeggelijk overeenkomt met dat van de bescherming van ‘rechten van anderen’ in de betekenis van het tweede lid van artikel 10. Het is ook volledig strokend met het doel van de bescherming die artikel 9 biedt aan religieuze vrijheid.

Tot slot gaat het Hof na of de beperking van de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk was in een democratische samenleving. Dit recht is van essentieel belang in een democratische samenleving, maar brengt ook plichten en verantwoordelijkheden met zich mee. Bij deze plichten kan de wettelijke plicht horen om voor zover mogelijk te voorkomen dat een uitlating, de diepe eerbied van gelovigen voor bepaalde zaken mede in aanmerking nemend, onnodig grievend is voor anderen. Bij het onderzoek of bepaalde beperkingen van rechten en vrijheden zoals door het verdrag gegarandeerd als ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ kunnen worden beschouwd, laat het Hof de Staten een zekere beoordelingsvrijheid. Deze beoordelingsvrijheid is voor de lidstaten nog groter wanneer het de regulering van de vrijheid van meningsuiting betreft in zaken die aanstootgevend zijn voor intieme persoonlijke overtuigingen die de morele sfeer raken of, in het bijzonder, voor religie. Overweging 58: Bovendien, waar het de zeden betreft, en misschien geldt dit in meerdere mate, is er geen eensluidende Europese opvatting van de verplichtingen die de ‘bescherming van rechten van anderen’ met zich meebrengt met betrekking tot aanvallen op hun religieuze overtuigingen. Hetgeen (waarschijnlijk) grote woede opwekt onder bepaalde religieuze groeperingen zal sterk wisselen van tijd tot tijd en van plaats tot plaats, in het bijzonder in een gebied dat gekarakteriseerd wordt door een alsmaar groeiende verscheidenheid van geloofsovertuigingen en denominaties.

Namens de filmmaker is in de procedure nog naar voren gebracht dat deze film, omdat hij zo kort was, voor een kleiner publiek bestemd was en dat daardoor minder noodzaak zou bestaan de distributie te beperken. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ging daar echter niet in mee. In rechtsoverweging 63 merkt het Hof op dat een video van nature, zodra deze op de markt beschikbaar is, in de praktijk gekopieerd, uitgeleend, verkocht en bekeken kan worden in verschillende huizen, waardoor gemakkelijk de controle van de autoriteiten omzeilt kan worden. In deze omstandigheden was het niet onredelijk voor de nationale autoriteiten om, met de ontwikkeling van de video industrie van het Verenigd Koninkrijk in het achterhoofd, te veronderstellen dat de film een publiek kon bereiken dat zich erdoor gegriefd zou voelen. Het gebruik van een verpakking waarop een waarschuwing voor de inhoud van de film staat vermeld, zou slechts beperkt hebben geholpen, gegeven de verschillende manieren waarop video’s doorgegeven kunnen worden (zoals hierboven uiteengezet). In elk geval zijn ook hier de nationale autoriteiten in een betere positie dan het Europese Hof om te beoordelen wat de impact van een dergelijke video kan zijn, gegeven de moeilijkheden om het publiek te beschermen. De beperking van de vrijheid van meningsuiting werd in dit geval dus rechtmatig geacht.

Voetnoten

1
EHRM 25 november 1996, NJ 1998, 359 m.nt. EJD (Wingrove v. Verenigd Koninkrijk).
2
EHRM 26 April 1979, Series A no. 30, p. 30 § 47 (Sunday Times v. the United Kingdom (no. 1).
3
House of Lords in the case of Whitehouse v. Gay News Ltd and Lemon.