Geen informatieverplichting voor ISP's

Moeten de lidstaten van de Europese Unie internetbedrijven verplichten om in alle omstandigheden namen te openbaren van internetgebruikers die muziek uitwisselen? Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen beantwoordt deze vraag ontkennend.(1)

De prejudiciële vraag (Art. 234 EG-Verdrag) werd gesteld door een Spaanse rechter (Juzgado de lo Mercantil nº 5), naar aanleiding van een civiele procedure tussen de Spaanse vereniging voor producenten en uitgevers van muzikale en audiovisuele opnamen, Promusicae, en de internet service provider (ISP) Telefónica. De vereniging eiste dat de internetprovider de identiteit en adressen van een aantal van haar klanten zou verstrekken, omdat deze zich schuldig zouden hebben gemaakt aan het met behulp van peer-to-peer software (in casu: KaZaA) illegaal uitwisselen van muziek waarvan Promusicae rechthebbende is. De vereniging had de persoonsgegevens nodig om civiele procedures tegen de gebruikers te kunnen starten. Volgens de internetprovider mag zij echter de gevraagde persoonsgegevens alleen verstrekken in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of wanneer dit nodig is ter waarborging van de openbare veiligheid en de landsverdediging; en dus niet in het kader van een civiele procedure of als voorlopige maatregel voorafgaand aan een dergelijke procedure.

Het Hof van Justitie stelt in rechtsoverweging 54 vast dat EG-richtlijn 2002/58 - die betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector van de elektronische communicatie - niet uitsluit dat de lidstaten de verplichting opleggen om in het kader van een civiele procedure persoonsgegevens mee te delen. Maar zij zijn hier niet toe verplicht. Rechtsoverweging 55: Artikel 15, lid 1, van deze richtlijn kan evenwel niet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten dwingt om in de daarin genoemde gevallen een dergelijke verplichting op te leggen. De verplichting kan evenmin uit de EG-Richtlijnen 2000/31 (Art. 1 lid 5), 2001/29 (Art. 9) en 2004/48 (Art. 8 lid 3 sub e) worden gelezen. Daarom concludeert het Hof in rechtsoverweging 70: Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat de lidstaten volgens de richtlijnen 2000/31, 2001/29, 2004/48 en 2002/58 niet gehouden zijn, in een situatie als die van het hoofdgeding de verplichting op te leggen om ter verzekering van de doeltreffende bescherming van het auteursrecht in het kader van een civiele procedure persoonsgegevens te verstrekken. De lidstaten dienen er krachtens het gemeenschapsrecht bij de omzetting van deze richtlijnen wel acht op te slaan dat zij zich baseren op een uitlegging daarvan die het mogelijk maakt een juist evenwicht tussen de verschillende door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten te verzekeren. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter omzetting van deze richtlijnen moeten de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten vervolgens niet alleen hun nationale recht conform deze richtlijnen uitleggen, maar er ook acht op slaan dat zij zich niet baseren op een uitlegging van deze richtlijnen die in conflict zou komen met deze grondrechten of de andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals het evenredigheidsbeginsel.

Voetnoten

1
HvJ EG 29 januari 2008, zaaknr. C-275/06. (Promusicae / Telefónica)