Bestuursdwang bij foutief geparkeerde fietsen

Mag het college van burgemeester en wethouders foutief geparkeerde fietsen bij station Amsterdam Sloterdijk door toepassing van bestuursdwang nog dezelfde dag meevoeren en opslaan?

De feiten

Het was 19 april 2005 toen appellant zijn groene fiets van het merk Batavus op het Orlyplein voor station Amsterdam Sloterdijk aan een boombeschermer vastmaakte. Daarmee overtrad hij artikel 8.1 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 van Amsterdam, krachtens welk het verboden is touwen, kettingen, metalen draden of andere voorwerpen op, boven of over de weg te spannen dan wel deze voorwerpen, waaronder mede te verstaan fietsen, bromfietsen, aanhangwagens, kruiwagens en andere dergelijke kleine voertuigen, op of aan de weg vast te maken aan bomen, boombeschermers, straatkolken en rioolputten of aan lantaarnpalen, draden, zuilen of andere inrichtingen of installaties, bestemd voor de openbare dienst. Een ambtenaar van de dienst Stadstoezicht heeft de fiets dezelfde dag nog meegevoerd en opgeslagen bij de Amsterdamse Fietsen Afhandel Centrale. Daar heeft appellant de volgende dag zijn rijwiel (tegen betaling) weer op kunnen halen en is hem het besluit van 19 april 2005 tot toepassing van bestuursdwang uitgereikt.

De rechtsvraag

De beschikking tot toepassing van bestuursdwang dient een termijn te bevatten waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging ervan kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen (Art. 5:24 lid 4 Awb). Is een termijn van minder dan een dag voor een fout geparkeerde fiets niet te kort?

De Afdeling

Bestuursdwang is het door feitelijk handelen (hier: het verwijderen van fietsen) door of vanwege een bestuursorgaan (hier: het college van burgemeester en wethouders) optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (hier: art. 81 lid 1 APV Amsterdam 1994) gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten (Art. 5:21 Awb). Appellant ontkent ook niet dat het college hiertoe bevoegd is (Art. 5:22 Awb jo. art. 125 Gem.wet), maar stelt dat hem een onredelijk korte termijn is gegeven om die maatregelen te nemen die noodzakelijk waren om toepassing van bestuursdwang te voorkomen.

De Algemene wet bestuursrecht schrijft, zoals eerder opgemerkt, voor dat de belanghebbende een termijn moet worden gegeven om zelf maatregelen te nemen teneinde toepassing van bestuursdwang te voorkomen (Art. 5:24 lid 4 Awb), maar er zijn ook situaties waarin de belanghebbende geen termijn behoeft te worden gegund. Een dergelijke situatie doet zich voor als de vereiste spoed zich tegen een termijnstelling verzet (Art. 5:24 lid 5 Awb). Daarvan was, zo oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in rechtsoverweging 2.4 van de op 26 maart 2008 gewezen uitspraak, ook in deze situatie sprake.(1) Foutief geparkeerde fietsen verhinderen de doorgang van voetgangers en schoonmaakwerkzaamheden en nodigen uit tot een nog grotere mate van foutief plaatsen van fietsen. Gelet op het intensieve gebruik van het plein door fietsers en voetgangers mag het college daar direct tegen optreden. Dat de capaciteit aan menskracht en middelen ontbreekt om ten behoeve van de dagelijkse schoonmaakwerkzaamheden op het plein elke dag met handhavingsmaatregelen tegen foutief geplaatste fietsen op te treden, ontneemt, anders dan appellant betoogt, aan stelselmatig optreden op één dag per week niet het spoedeisend belang.

Voetnoten

1
ABRvS 26 maart 2008, LJN BC7586. (Fiets bij Amsterdam Sloterdijk)