Uitsluiting kiesrecht curandi niet altijd gerechtvaardigd

Op 29 oktober 2003 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de rechtsvraag beantwoord of de uitsluiting van het kiesrecht van degenen die krachtens een onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam zijn rechtshandelingen te verrichten, een onredelijke beperking van de in artikel 25, aanhef en onder b, IVBPR neergelegde rechten oplevert.(1)

De feiten

De zaak was aanhangig gemaakt door Martijn Greuter. Martijn is op 25 mei 1999 bij beschikking van de rechtbank te Haarlem onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis waardoor hij, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijk wordt zijn belangen behoorlijk te behartigen. Curandi zijn uitgesloten van het kiesrecht (Art. 54 lid 2 aanhef en onder b Gw en art. B5 lid 1 aanhef en onder a Kieswet). Daarom hadden zijn ouders, in hun hoedanigheid als curator, bij het College van Burgemeester en Wethouders van Bloemendaal een verzoek ingediend het kiesregister te herzien. Dit verzoek is echter afgewezen.

De uitspraak

Tussen de partijen bestond geen verschil van mening over de vraag of Martijn, indien werd uitgegaan van de geldende wettelijke regeling,van het kiesrecht zou zijn uitgesloten. Wél werd de vraag opgeworpen of de Grondwet en de Kieswet dienaangaande niet in strijd zijn met verdragsbepalingen, waaronder artikel 25 van het IVBPR.

De Afdeling stelt in rechtsoverweging 2.6.1 dat sinds de Krankzinnigenwet in 1992 door de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (de Wet BOPZ) is vervangen, de plaatsing in een instelling wegens een geestelijke stoornis als zodanig niet langer tot gevolg heeft dat betrokkene onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten en derhalve evenmin dat deze als gevolg daarvan van het kiesrecht is uitgesloten. Daarnaast zijn er in het Burgerlijk Wetboek naast curatele ook twee nieuwe beschermingsfiguren opgenomen: bewind en mentorschap. Mensen op wie deze beschermingsfiguren van toepassing zijn verklaard, kunnen evengoed een geestelijke stoornis hebben op grond waarvan zij - al dan niet met tussenpozen - niet in staat zijn of bemoeilijkt worden hun belangen behoorlijk te behartigen, maar zij behouden hun kiesrecht. Het verschil in de beschermingsfiguren bewind en mentorschap enerzijds en curatele anderzijds zit hem dan ook niet in de ernst van de geestelijke stoornis, maar in de gevolgen die daaraan worden verbonden.

Op grond van deze constateringen komt de Afdeling in rechtsoverweging 2.6.3 tot de volgende conclusie: Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat, hoewel de uitsluiting van degenen die krachtens een onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam zijn rechtshandelingen te verrichten, in zijn algemeenheid niet als een onredelijke beperking, als bedoeld in art. 25 aanhef en onder b IVBPR kan worden aangemerkt, een dergelijke uitsluiting in een concreet geval tot een uitkomst kan leiden die wel als zodanig moet worden beschouwd. De wijze waarop moet worden vastgesteld of daarvan sprake is en, zo ja, hoe de strijdigheid met art. 25 lid 1 aanhef en onder b IVBPR kan worden weggenomen en aan welk orgaan terzake bevoegdheid moet worden toegekend, vergt evenwel - mede gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen ten aanzien van de bescherming van meerderjarigen die als gevolg van een geestelijke stoornis, al dan niet met tussenpozen, niet in staat zijn hun belangen behoorlijk waar te nemen of daarin bemoeilijkt worden - rechtspolitieke keuzes die niet binnen de rechtsvormende taak van de rechter vallen maar door de wetgever zullen moeten worden gemaakt. Het betoog dat art. 54 lid 2 aanhef en onder b Gw en art. B5 lid 1 aanhef en onder b Kieswet in strijd zijn met art. 25 aanhef en onder b IVBPR en op die grond - gelet op het bepaalde in art. 94 Gw - buiten toepassing moeten blijven, faalt dan ook.

Annotatie

Hoewel het betoog om artikel 54 lid 2 aanhef en onder b Grondwet en art. B5 lid 1 aanhef en onder b Kieswet buiten toepassing te laten faalt, heeft appellant in deze zaak van de bestuursrechter in de facto gelijk gekregen. Hij oordeelt dat de categoriale uitsluiting van curandi met een geestelijke stoornis van het kiesrecht in zijn algemeenheid weliswaar niet strijdig is met het Internationaal Verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR), maar dat in een concreet geval deze uitsluiting wel onredelijk kan zijn. De Afdeling kon het beroep dus alleen niet gegrond verklaren, omdat zij daarmee op de stoel van de (Grond)wetgever zou zijn gaan zitten. Voorbeelden van zaken waarin een vergelijkbare problematiek de rechter van gegrondverklaring van het beroep weerhield, zijn ondermeer het Waterpakt-arrest(2) en Stichting de Faunabescherming tegen Provincie Fryslân.(3)

Een en ander neemt niet weg dat appellant met deze uitspraak iets in gang heeft gezet. Zo zal binnenkort de Nederlandse Grondwet aangepast worden, zodat de 20.000 Nederlanders(4) die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam zijn rechtshandelingen te verrichten, niet langer door de Grondwet van het kiesrecht worden uitgesloten. Deze grondwetsherziening zal volgens de heer Schinkelshoek, Tweede-Kamerlid binnen de CDA-fractie, parlementaire geschiedenis ingaat als de grondwetsherziening van Martijn.(5)

Voetnoten

1
ABRvS 29 oktober 2003, AB 2003, 463 m.nt. PJS (Kiesrecht Martijn).
2
HR 21 maart 2003, AB 2004, 39 m.nt. ChB (Waterpakt).
3
HR 1 oktober 2004, LJN AO8913 (Stichting de Faunabescherming tegen Provincie Fryslân).
4
TK Kamerstukken 2005-2006, 30 471, nr. 3 Pg. 6.
5
TK Handelingen 2007-2008 nr. 31 Pg. 2457.