Europese Verordeningen en art. 93 Gw

Op grond van het EG-verdrag vastgestelde verordeningen zijn rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Artikel 75 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bepaalt dat binnen deze gemeenschap bestaande verschillen, welke daarin bestaan, dat een vervoerondernemer voor dezelfde verbindingen verschillende vrachtprijzen en vervoervoorwaarden voor gelijke goederen toepast naar gelang van het land van herkomst of bestemming van de vervoerde waren, dienen te worden opgeheven. Ter uitvoering van deze verdragsbepaling heeft de Raad van ministers op 20 december 1985 de verordening tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer vastgesteld. In deze verordening is ondermeer vastgelegd dat chauffeurs in beginsel een maximale rijtijd hebben van 9 uur per dag,(1) waarbij zij maximaal 4,5 uur achter elkaar mogen rijden(2) en per 24 uur een dagelijkse rusttijd behoren te krijgen van ten minste 9 achtereenvolgende uren.(3)

In Nederland verwees artikel 2.5:1 vierde lid (oud) van het Arbeidstijdenbesluit, waarvoor de juridische basis in de Arbeidstijdenwet lag, voor de rusttijden naar de tijden zoals deze in de EG-Verordening staan. De Hoge Raad kreeg van een transporteur de vraag voorgelegd of de EG-Verordening wel door kon werken in onze nationale rechtsorde, omdat artikel 8 van deze verordening geen een ieder verbindende bepaling is.

Artikel 19 van EEG-Verordening 3820/85 bepaalde echter: Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. In rechtsoverweging 3.5 en 3.6 oordeelde de Hoge Raad dan ook: De rechtstreekse toepasselijkheid van een gemeenschapsverordening brengt mee dat zij zonder nadere maatregel tot opneming in het nationale recht in werking treedt en ten gunste of ten laste van de rechtssubjecten wordt toegepast. (...) Het middel miskent dat een op grond van het EG-verdrag vastgestelde verordening zoals waarvan hier sprake is, krachtens dat verdrag en niet krachtens enig nationaal besluit gelding heeft en rechtstreeks toepasselijk is in elke Lid-Staat. Die gelding is niet gebaseerd op het stelsel van art. 93 en 94 GW.(4)

Voetnoten

1
art. 6 § 1 Verordening (EEG) Nr. 3820/85.
2
art. 7 § 1 Verordening (EEG) Nr. 3820/85.
3
art. 8 § 1 Verordening (EEG) Nr. 3820/85.
4
HR 2 november 2004, JOL 2004, 575 (Allerzielen).