Samenscholing blijkt uit context

Het opleggen van een samenscholingsverbod aan een specifieke groep mensen is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel, zolang dit objectief gerechtvaardigd en controleerbaar is. Of in een concrete situatie sprake is van samenscholing hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij ook het tijdselement een rol speelt.

Op 1 oktober 2008 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan(1) in het hoger beroep dat de officier van justitie had ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht waarin zeven jongeren van overtreding van het samenscholingsverbod in Kanaleneiland-Noord zijn vrijgesproken.

Gelijkheidsbeginsel en verbod op willekeur

De advocaat van de verdachte heeft in hoger beroep aangevoerd dat het samenscholingsverbod in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en de toets van willekeur niet kan doorstaan. Het gerechtshof is daar niet in meegegaan. Anders dan de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Utrecht, welke voor een ieder van toepassing is, geldt het op artikel 10 van deze APV gebaseerde intensieve handhavingsbeleid alleen voor een specifieke groep. De criteria om te bepalen wie tot deze specifieke groep behoren zijn objectief gerechtvaardigd en controleerbaar.

Gebruikte criteria:
Personen die als risicojongere, veelpleger of lid van een criminele jeugdgroep bekend zijn binnen het veiligheidshuis te Utrecht en die in de periode van 1 oktober 2002 tot 1 oktober 2007 drie of meer antecedenten in HKS hebben, waarvan één in het peiljaar 2007, en/of tien of meer mutaties in BPS hebben op het gebied van overlast in de periode van 1 januari 2006 tot 1 oktober 2007.

Het gerechtshof merkt daarbij op dat de raadsman niet alleen inzage kan vragen in het mutatieoverzicht van verdachte, maar ook de rechtsgang had kunnen bewandelen om verdachte van de lijst af te halen. Zolang dat niet is gebeurd, dient de plaatsing als juist te worden aangemerkt.

Bewegen en dreiging

De raadsman van de verdachte heeft verder aangevoerd dat zijn cliënt ontkent te zien te zijn op de camerabeelden en dat - zo hij al herkend zou worden - de samenscholing niet bewezen kan worden. Daarvoor is volgens de raadsman vereist een groepsgewijs staan en een (dreigende) schending van de openbare orde. Ook dit verweer wordt door het hof echter niet gevolgd. Het proces-verbaal van de verbalisanten [E.] en [Van E.], waarin zij stellen de verdachte te herkennen, is voldoende betrouwbaar. Voor het begrip samenscholing zoekt het gerechtshof aansluiting bij de strekking van de verbodsbepaling. Gezien de plaats die het samenscholingsverbod inneemt in de APV, is het hof van oordeel dat het begrip ‘samenscholing’ hier een negatieve connotatie heeft. Dit brengt mee dat niet elke groepsvorming kan worden aangeduid als een ‘samenscholing’. Of er sprake is van ‘samenscholing’, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Ook het tijdselement speelt daarbij een rol: het samenzijn in kwestie zal toch enige tijd moeten duren, wil sprake zijn van een onder artikel 10 van de APV vallend strafbaar gedrag. (...) Anders dan de raadsman heeft betoogd, omvat ‘samenscholing’ niet slechts het groepsgewijs staan. Ook het zich anderszins ophouden in een groep kan onder dit begrip vallen.

Voetnoten

1
Gerechtshof Amsterdam 1 oktober 2008 LJN BF3946.