Hof beveelt strafvervolging Geert Wilders

Geert Wilders, Tweede-Kamerlid voor de Partij voor de Vrijheid (PVV), moet vervolgd worden wegens het aanzetten tot haat en discriminatie op grond van door hem gedane uitlatingen in diverse media over moslims en hun geloof.  Dat oordeelde het Gerechtshof Amsterdam op 21 januari 2009 naar aanleiding van negen klaagschriften die waren ingediend tegen de beslissing van de officier van justitie om af te zien van strafvervolging.

De indieners van de klaagschriften waren van mening dat Geert Wilders strafrechtelijk vervolgd zou moeten worden voor gedane uitlatingen in de schrijvende pers en (delen van) zijn film Fitna. Zij wensten vervolging wegens belediging (Art. 266 Sr), smaad c.q. laster (Art. 261, 262 Sr), groepsbelediging (Art. 137c Sr), aanzetten tot haat (Art. 137d Sr), openbaar maken van discriminatoire/haatzaaiende uitlatingen (art. 137e Sr), smalende godslastering (art. 147 Sr), en overtreding van artikel 31 en 31a van de Auteurswet. De gevraagde vervolging voor overtreding van de auteurswet werd door het hof echter buiten beschouwing gelaten, omdat er geen concreet belang aanwezig was om strafvervolging op die basis te verlangen (zie ro. 7.4).

Ter onderbouwing van hun klachten werden diverse citaten uit publicaties aangedragen, waaronder een passage uit een open brief van Wilders getiteld ‘Genoeg is genoeg: verbied de Koran’ die in de Volkskrant van 8 augustus 2007 is gepubliceerd. Daarin schreef hij: Een gematigde islam bestaat niet. Het bestaat niet, omdat er geen onderscheid is tussen Goede islam en Slechte islam. Er is islam, en daar houdt het mee op. En islam is de Koran, en niets dan de Koran. En de Koran is het Mein Kampf van een religie die beoogt anderen te elimineren, die die anderen - niet-moslims - ongelovige honden noemt, inferieure wezens. Lees de Koran, dat Mein Kampf, nog eens. In welke versie dan ook, je zult zien dat al het kwade dat de zoons van Allah tegen ons en henzelf begaan, uit dat boek afkomstig is.

Namens Geert Wilders werd, door zijn gemachtigde, naar voren gebracht dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen kwetsing en discriminatie/belediging. Het laatste is strafbaar, maar een uitlating met een kwetsend karakter hoefde volgens de gemachtigde niet te impliceren dat in strijd met de strafwet gehandeld is. Dit verweer werd door het gerechtshof echter niet gevolgd. Het oordeelde dat de diverse citaten, in samenhang bezien, geschikt waren om haat te zaaien en aan te zetten tot discriminatie, niet alleen vanwege de inhoud maar ook vanwege de wijze van presenteren. Deze wijze van presenteren kenmerkt zich door eenzijdige, sterk generaliserende formuleringen met een radicale strekking, niet aflatende herhaling en een toenemende felheid waarmee de standpunten worden verwoord. Die wijze van presenteren, zeker in combinatie met de inhoud, tast de moslims in hun waardigheid wezenlijk aan.

Wilders zelf voerde bij het gerechtshof ter verdediging aan dat wat hij doet rechtstreeks uit zijn partijprogramma voortvloeit, op grond waarvan hij bij de laatste verkiezing van de leden van de Tweede Kamer als volksvertegenwoordiger is gekozen. Hoewel het openbaar ministerie enkele van de opmerkingen die hij daarbij gemaakt heeft als ‘beledigend’ en ‘zeer krenkend’ karakteriseerde, had het besloten de zaak te seponeren, omdat de politieke context en de betekenis voor het maatschappelijk debat de strafbaarheid aan die uitlatingen zou hebben ontnomen. Het gerechtshof meent echter dat het openbaar ministerie ten onrechte Wilders’ geïsoleerde uitlatingen in een politieke context heeft geplaatst, waarbij zij miskent heeft dat ook betekenis moet worden toegekend aan de onderlinge samenhang. Die benadering, waarbij het geheel van de aan het hof voorgelegde uitlatingen in onderling verband wordt beschouwd, kan vervolgens in combinatie met de politieke context de strafbaarheid wegnemen, maar die onder omstandigheden ook weer versterken. Dat laatste is bij de uitlatingen van Wilders het geval. Het onderscheid dat het openbaar ministerie daarbij maakte tussen ‘beledigend voor een groep’ en ‘beledigend over een groep’ noemt het hof gekunsteld. Uiteindelijk komt het hof tot de conclusie dat bepaalde meningsuitingen van Wilders strafbaar zijn in termen van haatzaaien en groepsbelediging.

Dat een uitlating haatzaaiend is, of beledigend voor een groep mensen - en dus strafbaar -, wil nog niet zeggen dat er in het concrete geval ook daadwerkelijk vervolgd moet worden. Zeker waar het een politicus betreft, moet er een algemeen belang gediend worden met de strafrechtelijke vervolging. Dienaangaande overweegt het hof dat het aanzetten tot haat en discriminatie jegens een bevolkingsgroep in een democratische rechtsorde ontoelaatbaar is (Ro. 13.2) en als zodanig een grondslag biedt om in het algemeen belang tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. Met betrekking tot het beledigen van groepen mensen wijst het hof op de debatcultuur in Nederland. Beledigende uitlatingen zijn daarbij in beginsel niet strafrechtelijk vervolgbaar, maar het hof maakt daarbij een uitzondering voor beledigende uitlatingen waarbij vergelijkingen met het nazisme worden gemaakt (Mein Kampf). Die acht het hof dermate beledigend voor moslimgelovigen dat die uitlatingen binnen het bereik van het strafrecht kunnen worden gebracht. Het gerechtshof Amsterdam beschikt dan ook dat de officier van justitie te Amsterdam Geert Wilders moet dagvaarden ter zake van het aanzetten tot haat en discriminatie (artikel 137d Sr) alsmede ter zake van groepsbelediging voor zover het diens vergelijkingen met het nazisme betreft (artikel 137c Sr).(1)

Voetnoten

1
Hof Amsterdam 21 januari 2009 LJN BH0496 (Beschikking vervolging Geert Wilders).