De benoeming van een rechter

Vorige week is op dit weblog aandacht besteed aan de procedure die gevolgd wordt bij de benoeming van een raadsheer bij de Hoge Raad. In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de benoeming van een rechter bij de rechtbank.

De rechterlijke macht bestaat uit de Hoge Raad der Nederlanden, de gerechtshoven en de rechtbanken (Art. 2 Wet op de rechterlijke organisatie). Er is in Nederland één Hoge Raad, er zijn vijf gerechtshoven en negentien rechtbanken. Een rechter is, op grond van artikel 1 aanhef en onder b 2° jo. artikel 1 aanhef en onder c van de Wet op de rechterlijke organisatie, een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast. Hij wordt op grond van artikel 117 lid 1 Grondwet bij koninklijk besluit voor het leven benoemd. Slechts op eigen verzoek, bij het bereiken van een bij de wet bepaalde leeftijd en in gevallen bij de wet bepaald, kunnen rechters door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht, worden geschorst of ontslagen (Art. 117 lid 2 en 3 Grondwet).

Rechters worden, zoals hierboven is opgemerkt, bij koninklijk besluit benoemd. Koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend (Art. 47 Grondwet). Anders dan de naam doet vermoeden zijn het dus geen besluiten van de Koning zelf, maar van de regering (Art. 42 lid 1 Grondwet). Dit roept de vraag op hoe de regering kan weten dat er een vacature is bij een van de Nederlandse rechtbanken. Maar alvorens die vraag te behandelen is het goed kort stil te staan bij het bestuur van de rechtbank.

Om het goed functioneren van het gerecht te verzekeren, is bij ieder gerecht een dagelijks bestuur ingesteld, dat belast is met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering van het gerecht (Art. 23 Wet op de rechterlijke organisatie). Het bestuur verdeelt het gerecht in maximaal vier organisatorische eenheden (Art. 20 Wet op de rechterlijke organisatie), waarbij binnen iedere organisatorische eenheid in de enkelvoudige en meervoudige kamers de soorten zaken behandeld en beslist worden die door het bestuur aan die eenheid zijn opgedragen. Een dergelijke eenheid wordt sector genoemd. Het bestuur van het gerecht wordt gevormd door de voorzitter, de sectorvoorzitters en een niet-rechterlijk lid (Art. 15 Wet op de rechterlijke organisatie). Het bestuur van een gerecht bestaat dus maximaal uit zes personen. Zij zijn op voordracht van de minister van Justitie bij koninklijk besluit voor bepaalde tijd benoemd.

Als er bij een rechtbank een plaats openvalt voor een nieuwe rechter, maakt het bestuur van de rechtbank een lijst van aanbeveling van zo mogelijk drie kandidaten op (Art. 1e lid 1 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren). Deze lijst wordt door tussenkomst van de Raad voor de rechtspraak aangeboden aan de regering. De regering slaat zodanig acht op de lijst als zij dienstig oordeelt en benoemt vervolgens bij koninklijk besluit een rechter bij de rechtbank waar hij werkzaam zal zijn (Art. 117 lid 1 Grondwet jo. 40 Wet op de rechterlijke organisatie). Voordat de nieuwe rechter daadwerkelijk in dienst kan treden, moet hij nog wel enkele ambtshandelingen verrichten. Voorafgaand aan de datum van indiensttreding, moet hij de eed of belofte afleggen (Art. 1g lid 1 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren). Wanneer dit gebeurt op requisitoir van het openbaar ministerie, gebeurt dit ten overstaan van een enkelvoudige- of meervoudige kamer van de rechtbank waar de rechter werkzaam zal zijn (Art. 9a lid 2 onder a 1° Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren). Daarna wordt het formulier, waarop de eed of belofte op schrift is gesteld, ondertekend door de nieuwe rechter en, afhankelijk van het antwoord op de vraag of de eed of belofte tegenover een enkelvoudige- of een meervoudige kamer is afgelegd, door de rechter die zitting heeft in een enkelvoudige kamer dan wel de voorzitter van de meervoudige kamer.