De eed of belofte van een rechter

De rechter is een rechterlijk ambtenaar, maar er zijn ook andere rechterlijke ambtenaren. Voordat zij in dienst kunnen treden, dienen zij op grond van artikel 1g van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) een eed of belofte af te leggen. In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de vraag wie rechterlijk ambtenaar zijn en hoe de eed of belofte luidt.

Een rechterlijk ambtenaar

Rechterlijke ambtenaren in de zin van de Wrra zijn de in artikel 1 onder b van de Wet op de rechterlijke organisatie aangeduide rechterlijke ambtenaren (Art. 1 lid 1 onder b Wrra jo. art. 1 onder b Wet op de rechterlijke organisatie). Dat is een flinke lijst:
- de president van de Hoge Raad,
- de coördinerend vice-presidenten van de gerechten,
- de vice-presidenten van de gerechten,
- de raadsheren in de gerechten,
- de raadsheren in buitengewone dienst bij de gerechten,
- de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechten,
- de rechters in de gerechten,
- de rechter-plaatsvervangers in de gerechten,
- de procureur-generaal bij de Hoge Raad,
- de plaatsvervangend procureur-generaal bij de Hoge Raad,
- de advocaten-generaal,
- de advocaten-generaal in buitengewone dienst,
- de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal vormen, bedoeld in artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie,
- de advocaten-generaal bij de ressortspakketten,
- de plaatsvervangende advocaten-generaal bij de ressortspakketten,
- de officieren van justitie en de plaatsvervangende officieren van justitie bij de arrondissementsparketten, het landelijk parket en het functioneel parket,
- de gerechtsauditeurs bij de gerechten,
- de griffier en substituut-griffiers van de Hoge Raad.

De eed of de belofte

Voordat een rechterlijk ambtenaar in dienst kan treden, moet hij de eed of de belofte afleggen. Welke hij kiest is om het even; beiden hebben dezelfde rechtsgevolgen. Op requisitoir van het openbaar ministerie dan wel van de procureur-generaal bij de Hoge Raad legt de rechterlijk ambtenaar ten overstaan van een gerecht, de minister van justitie of de Koning, mondeling de eed of de belofte af (Art. 9a Besluit rechtspositie rechtelijke ambtenaren). De tekst van de eed of de belofte is niet vrij, maar is vastgelegd in de eerste bijlage van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of zal krijgen waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed rechterlijk ambtenaar betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Nadat de rechterlijk ambtenaar de eed of de belofte heeft afgelegd, dient hij een formulier te ondertekenen waarop bovenstaande tekst is afgedrukt. Naast de rechterlijk ambtenaar, zet ook de rechter die zitting heeft in een enkelvoudige kamer dan wel de voorzitter van de meervoudige kamer, dan wel de president van de Hoge Raad dan wel de Koning of de minister van Justitie - afhankelijk van de vraag tegenover wie de eed of belofte is afgelegd - zijn handtekening op het formulier (Art. 9a lid 3 Besluit rechtspositie rechtelijke ambtenaren). Onder de ondertekening staat nog een aanvullende tekst, die concreter maakt waartoe de rechterlijk ambtenaar zich door het afleggen van de eed of de belofte heeft verbonden. De tekst luidt als volgt:

Krachtens de wet is de rechterlijk ambtenaar verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover hij bij de uitoefening van zijn taak de beschikking krijgt en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Daarbij is de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. De rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast mag zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun advocaten, procureurs of gemachtigden over enige voor hem aanhangig geschil of een geschil waarvan hij weet of vermoedt dat deze voor hem aanhangig wordt.

Het afleggen van de eed of de belofte door een rechter als sluitstuk van zijn benoemingsprocedure tot rechter, is dus niet slechts een mooi ritueel, maar heeft ook daadwerkelijk betekenis. Door de eed of de belofte af te leggen geeft de rechter ten overstaan van het publiek te kennen in volstrekte onafhankelijkheid recht te zullen spreken. Ontbreekt dit sluitstuk dan is de rechter in kwestie onbevoegd.