De benoeming van een raadsheer

Aan de Hoge Raad der Nederlanden is onder andere de cassatierechtspraak opgedragen in het burgerlijk recht, in het strafrecht en in het belastingrecht. De rechters die werkzaam zijn bij de Hoge Raad, worden raadsheren genoemd. In deze bijdrage wil ik ingaan op de procedure die gevolgd wordt bij de benoeming van nieuwe raadsheren.

De Hoge Raad is op grond van artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie een onderdeel van de rechterlijke macht. Volgens artikel 117 lid 1 van de Nederlandse Grondwet, worden de leden van de rechterlijke macht die met rechtspraak zijn belast, evenals de procureur-generaal bij de Hoge Raad, bij koninklijk besluit voor het leven benoemd. De benoeming voor het leven van rechters vormt een belangrijke waarborg in onze democratische rechtsstaat. Doordat rechters geen tijdelijke arbeidscontracten hebben, kunnen zij het recht toepassen zoals zij denken dat het toegepast moet worden; ook als dit een resultaat zou opleveren dat de overheid onwelgevallig is. Op die manier wordt voorkomen dat de regering ‘lastige’ rechters aan de kant kan schuiven. Uiteraard kunnen rechters wel zelf hun ontslag aanbieden (Art. 117 lid 2 Grondwet) en kunnen zij, in bij wet aangewezen gevallen, door een tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen (Art. 117 lid 3 Grondwet).

Raadsheren worden, zoals hierboven is opgemerkt, benoemd bij koninklijk besluit. Koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend (Art. 47 Grondwet). Anders dan de naam doet vermoeden zijn het dus geen besluiten van de Koning zelf, maar van de regering (Art. 42 lid 1 Grondwet). Dit roept de vraag op hoe de regering kan weten dat er een vacature is bij de Hoge Raad en hoe bepaald wordt wie er tot raadsheer benoemd zal worden.

Raadsheren bij de Hoge Raad zijn rechterlijke ambtenaren in de zin van artikel 1 aanhef en onder b 2° van de Wet op de rechterlijke organisatie. Wanneer bij de Hoge Raad een plaats van raadsheer openvalt, geeft de Hoge Raad daarvan op grond van artikel 1e lid 4 van de ‘Wet rechtspositie rechterlijk ambtenaren’ kennis aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bij deze kennisgeving voegt de Hoge Raad een opgemaakte lijst van aanbeveling van zes kandidaten. De Tweede Kamer der Staten-Generaal draagt op haar beurt drie personen voor aan de regering ter benoeming tot raadsheer (Art. 118 lid 1 Grondwet). In de praktijk bestaat de voordracht veelal uit de eerste drie namen van de lijst van aanbeveling die de Tweede Kamer van de Hoge Raad heeft ontvangen en wordt degene die bovenaan de voordracht van de Tweede Kamer staat uiteindelijk bij koninklijk besluit tot raadsheer benoemd (Art. 117 lid 1 Grondwet).

Voorafgaande aan de datum van indiensttreding, legt de raadsheer de eed of de belofte af (Art. 1g Wet rechtspositie rechterlijk ambtenaren). Dit doet hij op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad ten overstaan van de Koning persoonlijk of de minister van Justitie, die daartoe door de Koning gemachtigd kan worden (Art. 9a lid 2 onder d 1° Besluit rechtspositie rechterlijk ambtenaren). Nadat de eed of de belofte mondeling is afgelegd, dient de verklaring ook schriftelijk ondertekend te worden (Art. 1g Wet rechtspositie rechterlijk ambtenaren jo. art. 9a lid 3 Besluit rechtspositie rechterlijk ambtenaren).