Belediging in de zin van artikel 266 Sr

Een woord dat op zichzelf geen beledigend karakter heeft, kan in een samenstelling wel beledigend zijn. Dit is de uitkomst van een uitspraak in cassatie van 19 december 2000 van de Hoge Raad.

De aanleiding

Een man fietste in de vroege morgen van 24 mei 1998 over de Nieuwestad te Leeuwarden. Terwijl hij langs een tweetal politieagenten fietste, imiteerde hij het geluid van een paard. Terwijl hij doorfietste, bleef de man achterom kijken, waardoor hij ten val kwam. Toen de agenten hierop begonnen te lachen, heeft verdachte hen de woorden Vuile homo’s, homofielen en Vieze smerissen toegevoegd, waarna hij is aangehouden voor het beledigen van een ambtenaar in functie (Art. 266 jo. 267 Sr).

De definitie van belediging

Om te kunnen bepalen of in deze praktijksituatie sprake is van beledigingen in de zin van artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht, moet eerst een omschrijving gegeven worden van wat onder een belediging moet worden verstaan. Een woord als homofiel heeft op zichzelf niet altijd een beledigend karakter, maar kan het wel krijgen indien de term wordt gebruikt in een overigens wel beledigende context. Volgens het Gerechtshof Leeuwarden, dat op 1 april 1999 uitspraak deed in deze zaak, was daar in het onderhavige geval sprake van. Door de samenstelling van de gebruikte termen die in het openbaar aan het adres van de verbalisanten werden geuit, werd naar het oordeel van het hof de eer en goede naam aangetast van de betrokken ambtenaren van politie. De Hoge Raad heeft in het cassatieberoep bevestigd dat het hof hier een juiste maatstaf heeft toegepast.

Incasseringsvermogen

De advocaat van de verdachte heeft in het beroep in cassatie de opvatting verdedigd dat de gebruikte woorden minder spoedig als beledigend kunnen worden bestempeld indien zij zijn gericht tot politieagenten, omdat dergelijke functionarissen uit hoofde van hun functie, waar het beledigende uitlatingen betreft, meer moeten kunnen verdragen dan anderen. Deze opvatting werd door de Hoge Raad echter niet gevolgd. Volgens de Hoge Raad vindt die opvatting in zijn algemeenheid geen steun in het recht.(1) De uitspraak van de Hoge Raad van 22 september 2009, welke binnenkort op dit weblog wordt besproken, bewijst dat dit ook nu nog de lijn is die in de jurisprudentie gevolgd moet worden.

Voetnoten

1
HR 19 december 2000, LJN AA9745. Ook gepubliceerd in NJ 2001, 101.