Coffeeshops niet ontvankelijk in proces tegen burgemeesters

Bestuursorganen kunnen geen procespartij zijn in civielrechtelijke rechtsprocedures. En de civiele rechter kan de werking van een te verwachten bevel tot sluiting niet schorsen. Alleen de bestuursrechter kan, nadat het besluit tot sluiting door een bestuursorgaan is genomen, een voorlopige voorziening treffen waarbij de werking van het besluit tijdelijk wordt geschorst.

Gewijzigd beleid inzake softdrugs

Sinds 2005 voeren de burgemeesters van de Noord-Brabantse gemeenten Bergen op Zoom en Roosendaal een identiek beleid inzake de verkoop van softdrugs in hun gemeenten. De verkoop van softdrugs wordt in deze gemeenten alleen onder stringente voorwaarden toegestaan in coffeeshops. Na een inspraakprocedure is op 3 maart 2009 in beide gemeenten de Nota Cannabisbeleid 2009 vastgesteld. Op grond van deze nota wordt sinds 16 september 2009 de verkoop van softdrugs niet langer gedoogd.(1) Coffeeshophouders die in de fout gaan, riskeren de gedwongen sluiting van hun coffeeshop voor de duur van vijf jaren.

De eis van de coffeeshophouders

Zes coffeeshophouders hebben een kort geding aangespannen tegen de burgemeester van Bergen op Zoom en de burgemeester van Roosendaal. Zij vorderen dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda de burgemeesters verbiedt tot daadwerkelijke sluiting van hun coffeeshops over te gaan zolang niet in hoogste instantie door de bestuursrechter geoordeeld is over de rechtmatigheid van de sluiting van hun lokalen als zij toch softdrugs blijven verkopen.

Coffeeshophouders niet-ontvankelijk

Helaas heeft de advocaat van de coffeeshophouders de vordering ingesteld tegen de burgemeesters van Bergen op Zoom en Roosendaal in hun hoedanigheid van bestuursorgaan, dat op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is over te gaan tot sluiting van etablissementen waar softdrugs worden verkocht. In het burgerlijk procesrecht kunnen echter alleen natuurlijke personen en rechtspersonen als procespartij optreden. Indien een partij bij de burgerlijke rechter een procedure wil starten tegen een bestuursorgaan, dient hij zich dan ook te richten tot de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. In dit geval betekent dit dat de koffieshophouders hun vorderingen moeten richten tegen de gemeente Bergen op Zoom en tegen de gemeente Roosendaal. Aangezien de koffieshophouders echter geen rechtspersonen hebben gedagvaard, zullen zij niet-ontvankelijk worden verklaard.(2) Een pijnlijke vergissing.

Geen verschil

Om het leed nog enigszins te verzachten gaat de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda ook nog in op de vraag wat zijn oordeel zou zijn geweest indien de advocaat wél de beide gemeenten had gedagvaard. Ook dan zou dit tot niet-ontvankelijkheid van de eisers hebben geleid. Immers, de coffeeshophouders vorderden een voorziening strekkende tot schorsing van de werking van de te verwachten bevelen tot sluiting. Deze voorlopige voorziening kan echter alleen de bestuursrechter treffen, zodra de koffieshophouders van de burgemeester een besluit tot sluiting van hun etablissement hebben gekregen én zij daartegen een rechtsmiddel aanwenden. Vanwege de taakverdeling tussen enerzijds de ter zake gespecialiseerde bestuursrechter en anderzijds de burgerlijke rechter als restrechter moet de bestuursrechtelijke procedure, die door de burgerlijke rechter wordt aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, als de voorliggende voorziening worden aangemerkt. Voor de burgerlijke rechter resteert daarmee geen taak meer.(3)

Voetnoten

1
De coffeeshops in Bergen op Zoom en Roosendaal trokken wekelijks 25.000, voornamelijk Belgische, drugstoeristen die voor veel overlast zorgden.
2
Vz. Rb. Breda 15 september 2009 LJN BJ7675.
3
Ro. 4.3