Advocaat moet kwalitatieve praktijkervaring hebben

De tijd dat een advocaat stage loopt – advocaat-stagiair is – bedraagt volgens de advocatenwet 3 jaar (Art. 9b lid 1 Advocatenwet). De stageperiode kan met ten hoogste drie jaar worden verlengd indien de raad van toezicht van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) meent dat de advocaat-stagiair nog niet over voldoende praktijkervaring beschikt (lid 2). Dit is geen loutere kwantitatieve, maar ook een kwalitatieve eis.

Op 21 december 2006 weigerde de Raad van Toezicht der Orde van Advocaten Utrecht een verklaring aan een advocaat-stagiair af te geven dat zijn stage erop zat. Het administratief beroep dat de advocaat-stagiair hiertegen instelde bij de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten werd door deze ongegrond verklaard. Hetzelfde lot ondergingen het daartegen ingestelde beroep bij de rechtbank te Amsterdam en het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.(1)

De rechtsvraag

In het hoger beroep stond de vraag centraal of ‘voldoende praktijkervaring’, als bedoeld in artikel 9b lid 2 Advocatenwet en artikel 10 lid 1 van dezelfde wet, slechts een kwantitatieve eis inhoudt - zoals de advocaat stagiair beweerde - of ook kwalitatieve eisen met zich meebrengt.

Kwalitatieve eisen

Het begrip ‘voldoende praktijkervaring’ behelst volgens de Afdeling dat voldoende kennis van en inzicht en vaardigheid in de beroepswerkzaamheden is verkregen, en omvat daarmee kwalitatieve eisen. De eisen die de Raad van Toezicht hieromtrent stelt zijn neergelegd in art. 15 lid 2 en 3 van het Stagereglement 2006 van het arrondissement Utrecht.

Art. 15 lid 2 en 3 Stagereglement 2006:
2) De stagiaire beschikt over voldoende praktijkervaring indien hij geacht kan worden in staat te zijn om de praktijk zelfstandig uit te oefenen op de wijze die een behoorlijk advocaat betaamt.
Of de stagiaire hieraan voldoet, wordt door de Raad mede beoordeeld aan de hand van de verslagen van de patroon.
3) Teneinde te beschikken over voldoende praktijkervaring is minimaal noodzakelijk dat de stagiaire gedurende de stage:
a. meerdere malen zelfstandig in rechte opgetreden is en cliënten bijgestaan heeft bij mondelinge behandelingen, comparities, enquêtes en pleidooien;
b. meerdere malen zelfstandig processtukken vervaardigd heeft van voldoende niveau en kwaliteit;
c. meerdere malen zelfstandig zaken behandeld heeft op tenminste twee verschillende rechtsgebieden;
d. er blijk van gegeven heeft in staat te zijn zelfstandig zaken naar behoren te behandelen.
e. de stagiaire naar het oordeel van de Raad niet op zodanige wijze in strijd met de Advocatenwet en de daarop gebaseerde regelgeving respectievelijk het gedrags en/of tuchtrecht handelt of heeft gehandeld dat er onvoldoende waarborgen zijn voor een behoorlijke praktijkvoering.

De Afdeling acht bovenvermeld beleid en bovenstaande eisen niet onredelijk, zodat de algemene raad, bij zijn beoordeling of aan de advocaat stagiair een verklaring kon worden gegeven, deze beleidsregels mocht toepassen. De rechter toetst het besluit terughoudend, omdat de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten veel beoordelingsruimte toekomt.

Voetnoten

1
ABRvS 14 oktober 2009 LJN BK0122.