Krakers hebben ook huisrecht

Het huisrecht, zoals beschermd door artikel 12 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM, komt toe aan de feitelijke bewoner van een woning. Het maakt daarbij niet uit of de bewoners een pand rechtmatig bewonen of niet. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad van 4 september 2007.

De aanleiding

De eigenaar van een leegstaande boerderij in Almelo had bij de burgerlijke rechter een voorlopige voorziening gevraagd tegen twee krakers, strekkende tot ontruiming van zijn boerderij. De voorziening werd toegewezen; de rechter oordeelde dat de twee krakers de woning wederrechtelijk in gebruik hadden genomen (zie ook art. 429 sexies Sr). Toen de krakers de boerderij niet vrijwillig leken te verlaten, heeft de eigenaar van de woning zich toegang verschaft tot de woning en - samen met iemand anders - de krakers gedurende enige tijd van hun vrijheid beroofd.

Huisvredebreuk: binnendringen was wederrechtelijk

In het strafproces tegen de eigenaar van de boerderij, heeft diens advocaat aangevoerd dat zijn cliënt artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht niet overtreden heeft. Volgens hem kon de eigenaar de woning niet wederrechtelijk binnengedrongen zijn, want hij was eigenaar en de burgerlijke rechter had vastgesteld dat de krakers wederrechtelijk in de woning verblijf hielden.

De Hoge Raad heeft dit cassatieberoep echter verworpen. In rechtsoverweging 4.4 oordeelde hij: Art. 138 Sr beoogt het huisrecht van een ander, dat hij ontleent aan de feitelijke bewoning, te beschermen. Daarbij is niet van belang of die bewoning geschiedt krachtens enig recht. Daarom is onjuist de opvatting waarop verweer en middel berusten, namelijk dat de omstandigheid dat het gebruik van de woning door die ander onrechtmatig zou moeten worden geacht, meebrengt dat van wederrechtelijk binnendringen, als bedoeld in art. 138 Sr geen sprake kan zijn.(1)

Voetnoten

1
HR 4 september 2007 LJN BA4943.