Ruchtbaarheid geven als in art. 261 Sr

Vandaag precies vijf jaar geleden deed de Hoge Raad uitspraak in een strafzaak, waarin de vraag aan de orde was of aan het bestandsdeel ‘ruchtbaarheid geven’ van artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (smaad) reeds is voldaan als er een brief naar de burgemeester is verzonden.

Vandaag precies vijf jaar geleden deed de Hoge Raad uitspraak in een strafzaak, waarin de vraag aan de orde was of aan het bestandsdeel ‘ruchtbaarheid geven’ van artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (smaad) reeds is voldaan als er een brief naar de burgemeester is verzonden.

De aanleiding van de strafrechtelijke procedure was een brief, die de verdachte in 1996 aan de toenmalig burgemeester van Amsterdam, Schelto Patijn (13 augustus 1936 - 15 juli 2007 †) heeft verstuurd, waarin hij een bij naam genoemd ex-inwoner van de gemeente Amsterdam beschuldigde van betrokkenheid bij zedendelicten (meer specifiek pedofilie) en levensdelicten (meer specifiek moord). Hoe deze ex-inwoner achter het bestaan van de brief is gekomen wordt niet helemaal duidelijk, maar zeker is dat hij een strafklacht heeft ingediend tegen de verdachte wegens smaad en/of laster.

In cassatie heeft de Hoge Raad de rechtsvraag moeten beantwoorden of, nu de brief verstuurd was naar de burgemeester van Amsterdam, een persoon met een openbare functie, er sprake was van ruchtbaarheid geven als bedoeld in artikel 261 lid 1 Sr.

Art. 261 lid 1 Sr:
Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

Het antwoord van de Hoge Raad op de hierboven geformuleerde rechtsvraag luidt ontkennend. In rechtsoverweging 4.3 overweegt hij: De gebezigde bewijsmiddelen houden, voor wat betreft het in het middel bedoelde onderdeel van de bewezenverklaring, niet meer in dan dat de verdachte de brief met daarin de feiten die betrekking hebben op [slachtoffer 1], heeft toegezonden aan de burgemeester van Amsterdam. Uit die enkele omstandigheid kan niet volgen dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Dat, zoals het Hof in de strafmotivering heeft overwogen, de burgemeester een persoon is met een openbare functie, maakt dat niet anders.(1)

Voetnoten

1
HR 2 november 2004 LJN: AQ8770.