Gemeenschappelijke regeling versus gemeentelijke verordening

Een verordening die voortkomt uit een gemeenschappelijke regeling van gemeenten staat hiërarchisch gelijk aan een gemeentelijke verordening, zodat artikel 122 Gemeentewet op deze situatie niet van toepassing is. Interne totstandkomingsgebreken aan de gemeenschappelijke verordening bij gemeenten doen ook niets af aan haar inwerkingtreding.

De aanleiding

Drie personen hebben een last onder dwangsom opgelegd gekregen omdat zij met hun boot een ligplaats hebben ingenomen aan de Duifpolderkade in de Noordvliet. Daarmee zouden zij in strijd hebben gehandeld met een bepaling uit de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Midden-Delfland. Deze gemeente is deelnemer aan de Gemeenschappelijke Regeling voor het recreatiegebied Midden-Delfland: een door gemeenten ingesteld overkoepelend openbaar lichaam dat als extra bestuurslaag tussen deze gemeenten en de provincie functioneert. Dit overkoepelende openbaar lichaam heeft ook een verordening vastgesteld over ligplaatsen aan de Duifpolderkade in de Noordvliet. Welke bepaling moet voorrang krijgen bij strijdigheid tussen de beide bepalingen?

De gemeentelijke verordening

Op grond van artikel 5.3.2 lid 1 van de APV van Midden-Delfland is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders met een vaartuig een ligplaats in te nemen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. De Noordvliet is aangewezen als water waar deze verbodsbepaling geldt. Om te bepalen of de hier bedoelde vergunning verleend kan worden, kijkt het college naar aspecten als: de openbare orde, volksgezondheid, risico op overlast, veiligheid op het openbaar water, het uiterlijk aanzien van de gemeente en haar eigen ligplaatsbeleid. De bepaling is laatst vastgesteld op 22 april 2008.

De Gemeenschappelijke Regeling

De Gemeenschappelijke Regeling voor het recreatieschap Midden-Delfland, waar de gemeente Midden-Delfland aan deelneemt, is ingesteld om de belangen van de openluchtrecreatie te behartigen. Ook dit gremium heeft een Algemene verordening vastgesteld waarin bepalingen zijn opgenomen over het gebruik van openbare wateren en het innemen van ligplaatsen. Zo bevat artikel II.24 lid 1 van de Algemene verordening een verbod om in de openbare wateren vaartuigen te laten liggen tussen zonsondergang en zonsopgang behoudens ontheffing van het Dagelijks Bestuur. Ingevolge het tweede lid is dit verbod echter niet van toepassing op onder meer de Noordvliet. De bepaling is op 30 mei 2008 in werking getreden.

Toepasselijkheid van artikel 122 Gemeentewet

Met betrekking tot bepalingen uit een anterieure autonome gemeentelijke verordening, bepaalt artikel 122 van de Gemeentewet dat zij van rechtswege komen te vervallen zodra een wet, een algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening in hun onderwerp voorziet. In casu is echter sprake van een bepaling in de Algemene verordening van de Gemeenschappelijke Regeling die in strijd is met een bepaling uit de plaatselijke APV, zodat dit artikel niet van toepassing kan zijn. Hiërarchisch bestaat er geen verschil tussen beide regelingen. Om die reden is in de Algemene verordening een bepaling opgenomen die uitsluitsel moet geven in situaties als de onderhavige: artikel VI.4. Hierin staat dat zover deze verordening voorziet in hetzelfde onderwerp als de verordeningen van de deelnemers van het recreatieschap, die verordeningen ophouden te gelden voor het werkingsgebied. Concreet toegepast op deze casus, betekent dit dat artikel 5.3.2 lid 1 van de APV van Midden-Delfland van rechtswege is vervallen.

Intern totstandkomingsgebrek niet doorslaggevend

Het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland hebben zich er bij de bestuursrechter op beroepen, dat zij de Algemene verordening van de Gemeenschappelijke Regeling voor het recreatieschap Midden-Delfland niet op de voorgeschreven manier ter goedkeuring aan de gemeenteraad hebben overlegd en evenmin op correcte wijze hebben bekendgemaakt. Volgens hen brengen deze gebreken met zich mee dat de Algemene verordening nog niet in werking is getreden, maar dit verweer wordt door de rechtbank Den haag niet gevolgd. De Algemene verordening is vastgesteld nadat alle deelnemers, waaronder het college van burgemeester en wethouders namens de gemeente Midden-Delfland, met het ontwerp hadden ingestemd, en is bekend gemaakt in het provinciaal blad en de Staatscourant. Daarmee is de Algemene verordening rechtsgeldig tot stand gekomen en in werking getreden. Dat verweerder er niet voor heeft zorg gedragen dat de gemeenteraad zich over het ontwerp kon uitspreken en niet heeft voldaan aan de uit artikel 9, derde lid, van de Regeling voortvloeiende publicatieplicht, doet hier niet aan af. Uit een oogpunt van rechtszekerheid kan niet worden aanvaard dat een deelnemer aan een gemeenschappelijke regeling zich aan de werking daarvan onttrekt door zich te beroepen op interne totstandkomingsgebreken.(1)

Voetnoten

1
Rb. 's Gravenhage 2 september 2009 LJN BJ9619 ro. 7.1 en 7.2.