'Geheim' staat niet altijd op geheime documenten

Het vermelden van ‘geheim’ op geheime raadsstukken (Art. 25 lid 2 Gem.wet) is geen voorwaarde voor het ontstaan van de geheimhoudingsplicht. Doorslaggevend is dat voor betrokkenen duidelijk is dat op de stukken geheimhouding rust.

De aanleiding

Twee leden van de gemeenteraad van Vlaardingen hebben in 2003 in hun hoedanigheid van raadslid een rapport ontvangen van een extern onderzoeksbureau, met een begeleidend schrijven van het college van burgemeester en wethouders. In dit begeleidend schrijven stond dat (een deel van) het rapport onder geheimhouding aan hen bekend werd gemaakt. De beide raadsleden hebben echter tegenover een derde mededelingen gedaan over dit rapport en hem tevens inzage gegeven in het document. Om die reden zijn zij strafrechtelijk vervolgd, wegens het schenden van een ambtsgeheim (Art. 272 Sr).

De rechtsvraag

Is het mogelijk geheimhouding in de zin van artikel 25, tweede lid, Gemeentewet op te leggen middels een begeleidende brief bij de raadsstukken of een onderzoeksrapport?

Art. 25 lid 2 Gemeentewet:
Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van de stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.

Het antwoord

Volgens de Hoge Raad blijkt uit de wetsgeschiedenis dat uit de strekking van artikel 25 lid 2 Gemeentewet volgt, dat van meet af aan duidelijk moet zijn van welke stukken de inhoud geheim moet blijven.(1) De vermelding van de geheimhouding op geheime raadstukken is echter niet constitutief. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat aan het voorschrift van art. 25, tweede lid, Gemeentewet, gelet op de strekking ervan, ook is voldaan in een geval als het onderhavige, waarin weliswaar op de desbetreffende stukken zelf geen melding van de opgelegde geheimhouding is gemaakt, maar die stukken vergezeld gingen van een brief met in de aanhef ‘persoonlijk en geheim’, terwijl in die brief stond vermeld dat was besloten aan de ontvanger ervan geheimhouding op te leggen ten aanzien van het bijgesloten rapport. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.(2)

Voetnoten

1
TK Kamerstukken 1985-1986, 19 403, nr. 3, p. 84.
2
HR 22 april 2008, Gst. 2008, 73 m.nt. S.A.J. Munneke.