BverfG: Boek maakt inbreuk op persoonlijkheidsrecht van ex-vrouw

De roman ‘Esra’ van de Duitse auteur Maxim Biller heeft in het voorjaar van 2003 behoorlijk wat stof doen opwaaien. Zijn ex-vrouw en ex-schoonmoeder herkenden zich in de personages van de ‘fictieve’ roman en stapten naar de rechter om verspreiding van het boek te verbieden. In 2007 deed de hoogste Duitse constitutionele rechter, het Bundesverfassungsgericht, uitspraak in het geschil tussen de beide vrouwen en de uitgever.(1)

Esra, het boek

De roman Esra vertelt het liefdesverhaal van Adam en Esra. In het boek krijgt de schrijver Adam een relatie met de actrice Esra. De geliefden wonen in München-Schwabing, waar Adam - in zijn rol van ik-figuur, het ongeveer vier jaar beslaande verhaal van hun liefde verteld. Een liefdesverhouding die door verschillende omstandigheden danig op de proef wordt gesteld: de familie van Esra (haar heerszuchtige moeder, Lale, voorop), Esra’s dochter (Ayla) uit haar eerste huwelijk, de vader van haar dochtertje en boven alles door het passieve karakter van Esra die in haar noodlot lijkt te berusten.

Overeenkomende personages

Volgens de ex-echtgenote en ex-schoonmoeder heeft de auteur, niettegenstaande de vermelding in het boek dat de auteur zich alleen heeft laten inspireren door zijn relatie met zijn ex-vrouw, geen gebruik gemaakt van fictieve mensen, zoals in het boek vermeld, maar een eenzijdig beeld van de werkelijkheid geschilderd waarin zij duidelijk herkenbaar zijn. Dat hier en daar wat namen zijn gewijzigd, doet daar voor hen niets aan af. Zo heeft zijn ex-vrouw de Bundesfilmpreis 1989 gewonnen (Esra de Fritz-Lang-Preis), is zij eveneens actrice en heeft zij een ernstig zieke dochter uit een eerder stukgelopen huwelijk (Esra idem). Voor haar moeder geldt dat Lale, net als zij, in Turkije een hotel bezit en een belangrijke prijs (boek: Karl-Gustav-Preis / werkelijkheid: Alternatieve Nobelprijs 2000) heeft gewonnen. Daarbij komt nog dat Lale in het boek hoofdverantwoordelijk wordt gehouden voor het stranden van de relatie tussen Esra en Adam. Het Bundesgerichtshof was eerder in de procedure van mening dat zij als een depressieve, psychisch zieke alcoholiste werd neergezet, die haar dochter en haar familie tiranniseert (Ro. 9).

Botsende grondrechten

De bovenstaande casus is een typisch voorbeeld van botsende grondrechten en botsende belangen. Enerzijds het belang van de auteur, die als kunstenaar de ruimte moet hebben om een literair werk te vervaardigen en te verspreiden onder belangstellenden. Anderzijds het belang van zijn ex-vrouw en ex-schoonfamilie om niet als herkenbaar personage in een boek voor te komen, waarin zij bovendien worden zwartgemaakt zonder zich tegen de aantijgingen te kunnen verdedigen. Of juridisch geformuleerd: de vrijheid van de kunstenaar die in artikel 5, derde alinea eerste regel, van de Duitse Grondwet aan hem wordt toegekend - ‘Kunstfreiheit’ genoemd - botst hier met het algemeen persoonlijkheidsrecht - in het Duits ‘allgemein Persönlichkeitsrecht’ genoemd - dat uit artikel 2, eerste alinea, in samenhang met artikel 1, eerste alinea, van de Duitse Grondwet wordt afgeleid. Welk belang moet dan zwaarder wegen?

Het Bundesverfassungsgericht neemt in overweging 68 als uitgangspunt dat de kunstvrijheid geen absoluut recht is. Zij vindt haar directe grenzen in andere doelen van de constitutie, die een eveneens wezenlijk rechtsgoed willen beschermen. Het algemeen persoonlijkheidsrecht wordt in de rechtspraak van het Bundesverfassunsgericht een zeer hoge rang toegekend. Het beschermt, blijkens rechtsoverweging 71, personen in het bijzonder voor verkeerde voorstellingen of verdraaide weergaven, die niet totaal zonder betekenis zijn voor de ontplooiing van de persoonlijkheid.(2) De beide eiseressen in deze zaak stellen in hun algemeen persoonlijkheidsrecht te zijn geraakt. Een voorwaarde daarvoor is dat zij als voorbeelden van romanfiguren herkenbaar moeten zijn.(3) Hoewel de herkenbaarheid op zichzelf niet voldoende is om een schending van het persoonlijkheidsrecht aan te nemen. Dat roept de vraag op onder welke voorwaarden personen als voorbeeldfiguur voor karakters in boeken gebruikt mogen worden.

Voorbeeldfiguren voor karakters in boeken

Mag een auteur bestaande mensen gebruiken als model voor een figuur in een boek? Het Bundesverfassungsgericht beantwoordt deze vraag bevestigend, maar stelt wel enkele voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat het moet gaan om een literair werk - een vorm van kunst - en niet om een zakelijke beschrijving. Ook de schrijver van een zakelijk verhaal dat foutief als roman wordt aangeprezen, kan dus geen bescherming zoeken door zich op de kunstvrijheid te beroepen (Ro. 84). Hoe meer de auteur een romanfiguur van zijn oerbeeld vervreemd - en zo tot kunstfiguur maakt - des te meer wordt hem tegemoetgekomen door middel van een kunstspecifieke benadering.

De tweede voorwaarde is dat er geen onrechtmatige inbreuk gemaakt mag worden op het persoonlijkheidsrecht van het oerbeeld. Voor de afweging tussen het belang van de kunstenaar en het belang van de natuurlijke persoon die als voorbeeld is gebruikt, is beslissend met welke intensiteit het persoonlijkheidsrecht wordt geraakt (Ro. 86). Het Bundensverfassunsgericht gaat er blijkens vaste jurisprudentie vanuit dat, door de bijzondere nabijheid van de menselijke waardigheid, een kern private levenswijze als absoluut onaantastbaar beschermd wordt.

De derde voorwaarde hangt samen met de eerste twee genoemden. Er bestaat een wisselwerking tussen de mate waarin de auteur een van de werkelijkheid losgemaakte esthetische realiteit schept en de intensiteit van de schending van het persoonlijkheidsrecht. Hoe meer het evenbeeld met het oerbeeld overeenkomt, des te zwaarder weegt de afbreuk die aan het persoonlijkheidsrecht wordt gedaan. Hoe meer de kunstzinnige weergave de in het bijzonder beschermde dimensies van het persoonlijkheidsrecht raakt - het kerngebied van het persoonlijkheidsrecht - des te sterker moet de fictionalisering zijn om een persoonlijkheidsrechtbeschadiging uit te sluiten (Ro. 90). Een disclaimer aan het begin of eind van een boek, waarin staat dat iedere overeenkomst tussen de romanfiguren en daadwerkelijk bestaande personen op toeval berust, volstaat niet om aan te nemen dat de tekst werkelijk fictief is. Of een tekst fictief is of niet, moet aan de hand van de tekst zelf worden beoordeeld. Als een literaire tekst alleen maar een afrekening of smaad bevat, dan kan het persoonlijkheidsrecht doorgaans prevaleren (Ro. 95).

Inbreuk op persoonlijkheidsrecht

Aan de hand van bovengenoemde criteria is deze zaak behandeld. Een meerderheid van de rechters in het Duitse Bundesverfassungsgericht oordeelde dat de auteur inderdaad op verschillende plaatsen inbreuk heeft gemaakt op het persoonlijkheidsrecht van zijn ex-vrouw. Zowel de intieme relatie met de ik-figuur, hun huwelijk, de ziekte van haar kind en haar nieuwe relatie zijn - aldus de gerechten die deze zaak eerder hebben behandeld - in meer of mindere mate rechtstreeks aan de werkelijkheid ontleend. Daardoor kan de lezer, anders dan bij de klacht van de ex-schoonmoeder, het geschrevene niet gemakkelijk als fictie herkennen, ook al omdat de roman vanuit het perspectief van de ik-figuur is geschreven die over zijn eigen belevenissen verteld.(4) Juist doordat de auteur een realistische en gedetailleerde vertelling van het gebeurde weergeeft die rechtstreeks uit zijn leven afkomstig is, wordt het persoonlijkheidsrecht van de klaagster bijzonder zwaar geraakt. Niet alleen door de minitieuze beschrijving van de details van het lichaam van een vrouw die duidelijk als de intieme partner van de auteur herkenbaar is (Ro. 102), maar ook door de schildering van de daadwerkelijk bestaande levensbedreigende ziekte van haar dochter (Ro. 103).

Voetnoten

1
BVerfGE 13 Juni 2007 1783/05.
2
Vgl. BVerfGe 97, 125 <148 f.>; 99, 185 <193 f.>; 114, 339 <346>.
3
Vlg. Ro. 75 t/m 78.
4
Ro. 101.