Ministeriële regeling bekendgemaakt door aanschrijving

Het achterwege laten van bekendmaking van een ministeriële regeling op de wijze als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Bekendmakingswet behoeft niet te leiden tot onverbindendheid van de betreffende regeling, mits deze anderszins op afdoende wijze is bekendgemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als betrokkenen er persoonlijk over zijn aangeschreven.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 1 januari 2006 eiser per brief laten weten dat de Regeling ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekspersoneel (hierna: ZVOO-regeling) afgeschaft zou worden. Daarbij is eiser de mogelijkheid gegeven een overgangsuitkering op grond van de Regeling eenmalige overgangsuitkering ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekspersoneel 2006 (hierna: de Regeling) aan te vragen. Deze aanvraag diende vóór 1 december 2006 binnen te zijn. Eiser diende zijn aanvraag ruim een maand later in (4 januari 2007), maar nog ruim voor de dag waarop de ministeriële regeling in de Staatscourant is bekendgemaakt. Was de Regeling nu onverbindend, of eiser gewoon te laat met zijn aanvraag?

Aanvraagtermijn en bekendmaking

In artikel 2 lid 4 van de Regeling, een bij ministeriële regeling vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, was bepaald dat een aanvraag vóór 1 december 2006 ingediend moest zijn. Op grond van artikel 4 lid 1 aanhef en onder a van de Bekendmakingswet zou de Regeling, een ministeriële regeling inhoudende algemeen verbindende voorschriften, in de Staatscourant gepubliceerd moeten worden. Dat is ook gebeurd, maar pas nadat de aanvraagtermijn voor een overgangsuitkering reeds was verstreken: 25 april 2007. De minister kan echter ook in de ministeriële regeling bepalen dat deze Regeling bekendgemaakt zal worden door plaatsing in een ander vanwege de overheid algemeen verkrijgbaar gesteld publicatieblad (Art. 5 lid 1 aanhef en onder a Bekendmakingswet). Dat is hier echter niet gebeurd. De rechtbank Utrecht oordeelde echter: Het achterwege laten van bekendmaking op de wijze als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van die wet behoeft niet te leiden tot onverbindendheid van de betreffende regeling, mits deze anderszins op afdoende wijze is bekend gemaakt. Is een ministeriële regeling bekendgemaakt als zij die er gebruik van kunnen maken er middels een brief over zijn geïnformeerd? De rechtbank meent in rechtsoverweging 2.12 van de op 10 januari 2008 gewezen uitspraak van wel. De rechtbank stelt vast dat de Regeling niet is bekendgemaakt op de in de artikelen 4 en 5 van de Bekendmakingswet voorgeschreven wijze. Eiser is echter bij brief van 25 oktober 2006 op de inhoud van de Regeling gewezen. In deze brief is uitdrukkelijk vermeld dat de aanvraag uiterlijk op 1 december 2006 moet zijn ingediend en dat te laat ingediende aanvragen zullen worden afgewezen. Bij voornoemde brief was het aanvraagformulier gevoegd, dat eiser op 30 december 2006 heeft ondertekend. Eiser heeft de ontvangst van deze brief niet betwist. Ook uit het aanvraagformulier, waarin wordt gerefereerd aan de brief van 25 oktober 2006, blijkt dat eiser deze brief heeft ontvangen. De Regeling is dus bekendgemaakt door toezending ervan aan eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan hetgeen de wetgever met artikel 5 van de Bekendmakingswet voor ogen stond en is er geen grond de betreffende bepalingen van de Regeling onverbindend te achten.(1)

Voetnoten

1
Rb. Utrecht 10 januari 2008 LJN BC2759.