Ontslagbesluit moslimdocente rechtmatig

Een school mag een docent ontslaan, als deze weigert mensen van het andere geslacht een hand te geven. Dat oordeelde de Centrale Raad van Beroep op 7 mei 2009 in hoger beroep in een zaak tussen een docente economie en de Stichting voor Openbaar Voortgezet Onderwijs Utrecht.

Op 24 oktober 2005 trad Samira voor bepaalde tijd in dienst bij de Stichting voor Openbaar Voortgezet Onderwijs als docent economie aan het Vader Rijnland College te Utrecht. Haar contract werd op 1 augustus 2006 met een jaar verlengd. Op de eerste schooldag van het nieuwe schooljaar stuurde zij een e-mail naar al haar collega’s, waarin zij schreef vanwege haar geloofsovertuiging geen handen meer te geven aan mannelijke collega’s. Hierdoor ontstond grote ophef in en rondom de school. Om die reden werd zij twee weken later geschorst en uiteindelijk met ingang van 1 februari 2007 ontslagen.

Een legitiem doel en een geschikt middel

Mag een stichting een docent ontslaan als er ernstige verdeeldheid is ontstaan tussen partijen over de vragen of de docente ook volwassen mannen de hand moet schudden en wat de precieze voorbeeldfunctie van docenten is? Of is dat in strijd met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, Algemene wet gelijke behandeling?

De Centrale Raad van Beroep gaat ervan uit dat een vrouw uitdrukking kan geven aan haar islamitische geloofsovertuiging door de weigering de hand van een man te schudden (Vgl. ro. 7.7). Oók is de Centrale Raad van Beroep van oordeel dat de school, door een uniforme begroetingsregel voor te schrijven, die eruit bestaat dat men elkaar bij gelegenheid de hand schudt, een indirect onderscheid maakt naar godsdienst. Immers de regel raakt in hoofdzaak mensen met een bepaalde godsdienstige overtuiging. Dat maakt haar echter nog niet onrechtmatig. Het bijbrengen van respectvolle omgangsvormen aan leerlingen met diverse culturele achtergrond, etniciteit en geloofsovertuiging is namelijk - aldus de Centrale Raad van Beroep in rechtsoverweging 7.9 een
legitiem doel. Het middel - het hanteren van een uniforme begroetingsregel - is naar het oordeel van de Raad ook geschikt om dat legitieme doel te bereiken.

Passend en noodzakelijk

Dat de school een geschikt middel gebruikt om een legitiem doel te bereiken is echter nog niet voldoende. De genomen maatregel - d.w.z. het middel - moet ook passend en noodzakelijk zijn. Volgens de Raad gaat het daarbij om een afweging van de belangen van de stichting en de school en het belang van personen zoals betrokkene, die moeten worden beschermd tegen ongelijke behandeling vanwege hun godsdienst. In casu wegen de belangen van de stichting en de school volgens de bestuursrechter echter zwaarder. Daartoe voert de Raad een aantal argumenten aan. Zij wijst erop dat de geloofsovertuiging, waarvoor bescherming wordt verlangd, zich in de openbaarheid manifesteert en dat daarbij anderen zijn betrokken. Deze derden zouden de gedraging als confronterend en onaangenaam kunnen ervaren, waardoor de onderlinge relaties onder druk zouden kunnen komen te staan. Dat geldt niet alleen in de relatie met mannelijke collega’s en bij leerlingen, voor wie de docente een voorbeeldfunctie heeft, maar ook extern bij ouders en derden die bij de school betrokken zijn. Ten opzichte van deze laatste groepen is de leerkracht in de eerste plaats de vertegenwoordiging van de school en aldus bezien ziet de begroetingsregel direct op de wijze van functievervulling van de ambtenaar,(1) aldus de Raad. Daarnaast voorkomt de begroetingsregel segregatie en bevordert zij uniformiteit en duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap. Het besluit de docente economie te ontslaan was dan ook rechtmatig.

Een staartje?

In het Algemeen Dagblad liet de advocaat van de docente, mr. E. Jalandoni, weten dat hij nog niet weet of zijn cliënte de juridische strijd voort wil zetten bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (Frankrijk).

Voetnoten

1
CRvB 7 mei 2009, LJN BI2440.