Levenslang niet in strijd met EVRM

In zijn arrest van 16 juni 2009 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zou echter blijken dat verzoeken om gratie nooit worden ingewilligd, dan kan dat van betekenis zijn voor de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf of de voortzetting van deze straf zich verdraagt met de eisen die het EVRM stelt.

Aanleiding van de uitspraak was het cassatieberoep dat advocaat Jan Boksem, tevens bijzonder hoogleraar ‘verdediging in strafzaken’ aan de Universiteit Maastricht, namens de verdachte had ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 18 april 2007, waarin het Hof zijn cliënt een levenslange gevangenisstraf had opgelegd. Samengevat kwam zijn verweer er op neer dat een levenslange gevangenisstraf in het geval van zijn cliënt in strijd met artikel 3 (verbod op foltering) dan wel artikel 5 (recht op vrijheid en veiligheid), vierde lid, van het EVRM zou zijn.

Levenslang straffen

De gevangenisstraf is - naast de hechtenis, de taakstraf en de geldboete - een van de hoofdstraffen die de strafrechter in Nederland kan opleggen. Daarbij wordt in artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht een onderscheid gemaakt tussen levenslange gevangenisstraf en tijdelijke gevangenisstraf; de laatste duurt maximaal 30 jaar. Ook in België (Art. 8 Strafwetboek) en Frankrijk (Art. 131-1 Code pénal) wordt nadrukkelijk een onderscheid tussen deze twee gemaakt. De strafrechter in Duitsland kan in beginsel alleen tijdelijke gevangenisstraffen opleggen, tenzij de wet een delict met levenslange vrijheidsstraf bedreigt (§ 38 Strafgesetzbuch).

Tot een aantal jaar geleden kende Nederland de ‘volgprocedure langgestraften’. Gedetineerden die een derde van hun straftijd hadden uitgezeten werden aan een (nader) klinisch-psychologisch onderzoek onderworpen om te bezien of met een verdere tenuitvoerlegging in redelijkheid nog enig doel werd gediend. Werd met de tenuitvoerlegging van de straf geen redelijk doel meer gediend, dan werd gratie verleend. Ook mensen die een levenslange gevangenisstraf tegen zich hadden horen uitspreken, konden dit onderzoek ondergaan, waarna hun gevangenisstraf soms omgezet kon worden in een tijdelijke gevangenisstraf (we noemen dit “op jaren stellen”). Deze procedure is in 2000 ingetrokken.

Het oordeel van de Hoge Raad

In dit arrest verwijst de Hoge Raad naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 12 februari 2008 in de zaak van Kafkaris tegen Cyprus.(1) Daarin overweegt het Hof in rechtsoverweging 97 ondermeer: De oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan een meerderjarige misdadiger is op zichzelf niet verboden door of onverenigbaar met artikel 3 noch enig ander artikel van het Verdrag. Toch kan het dat volgens het Hof wel worden, als de straf ‘onveranderbaar’ is. Om te bepalen of een levenslange gevangenisstraf in een bepaald geval als onverenigbaar moet worden beschouwd, gaat het Hof na of een veroordeelde enig uitzicht heeft op vrijlating. Een analyse van uitspraken van het Hof met betrekking tot dit onderwerp toont dat waar het nationale recht de mogelijkheid verschaft tot herziening van de levenslange gevangenisstraf die kan leiden tot strafverlichting, gratie, beëindiging of de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de gevangene, dit voldoende zal zijn om aan artikel 3 te voldoen. (...) Hieruit volgt dat een levenslange gevangenisstraf niet ‘onveranderbaar’ is door het enkele feit dat hij in de praktijk volledig uitgezeten moet worden. Voor het doel van artikel 3 is het genoeg dat een levenslange gevangenisstraf de jure en de facto reduceerbaar is. (Ro. 98)

Volgens de Hoge Raad voldoet de huidige Nederlandse praktijk aan de eisen die het Europese Hof voor de Rechten van de Mens stelt. Hij wijst daarbij in rechtsoverweging 2.10 op de mogelijkheid dat aan een veroordeelde, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, gratie kan worden verleend, terwijl deze evenzozeer het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van zijn straf. Dat neemt niet weg dat bij het intrekken van de ‘volgprocedure langgestraften’ een belangrijke mogelijkheid tot tussentijdse beoordeling van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf is komen te vervallen. Indien evenwel zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in feite nimmer wordt verkort, kan dat van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf dan wel verdere voortzetting van een dergelijke straf zich verdraagt met de uit art. 3 EVRM voortvloeiende eisen, zoals die door het EHRM in het arrest Kafaris vs. Cyprus nader zijn omlijnd, vervolgt de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.12. Er moet dus wel een kans bestaan op gratie of omzetting van een levenslange gevangenisstraf in een tijdelijke. De advocaat die wil onderbouwen dat die kans in Nederland nihil is (en dat Nederland dus haar verplichtingen uit het EVRM schendt), zal deze stelling met voldoende feiten moeten onderbouwen; hetgeen in casu niet of onvoldoende was gedaan.(2)

Voetnoten

1
ECHR (GC), 12 februari 2008, appl. nr. 21906/04, EHRC 2008, 52 (Kafkaris vs. Cyprus).
2
HR 16 juni 2009, LJN BF3741.