Poster ‘Reisbureau Rita’ niet onrechtmatig

Op 16 juni 2009 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op het door de Advocaat-Generaal bij het Hof ingestelde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 28 december 2006. Hij oordeelde dat het Hof haar oordeel, dat de strafrechtelijke vervolging ex art. 261 Sr (smaadschrift) van de man die de poster ‘Reisbureau Rita’ heeft opgehangen een onrechtmatige inbreuk maakt op de vrijheid van meningsuiting, voldoende gemotiveerd heeft.

In het cellencomplex Schiphol-Oost werden vreemdelingen opgesloten in afwachting van hun uitzetting. In de nacht van 26 op 27 oktober 2005 is er brand uitgebroken in het complex, waardoor uiteindelijk elf mensen om het leven zijn gekomen. Naar aanleiding van deze tragedie brak in Nederland een hevige discussie los over de brandveiligheid van het cellencomplex en de wijze waarop de brand bestreden werd en de hulpverlening plaatsvond. De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, Rita Verdonk, noemde het optreden van de Dienst Justitiële Inrichtingen rond die brand adequaat; een uitspraak waarover zij op 1 november 2005 verantwoording moest afleggen in de Tweede Kamer.(1) Naar aanleiding van de brand op het cellencomplex heeft een man uit Nijmegen op 11 november 2005 een poster getoond (c.q. opgehangen), met de volgende tekst:

[quote]Reisbureau Rita
arrestatie - deportatie - crematie
adequaat tot het bittere einde
[quote]

Het openbaar ministerie heeft vervolging tegen de man ingesteld wegens smaad (Art. 261 Sr). Het Gerechtshof te Arnhem oordeelde dat wettig en overtuigend bewezen is dat de man dit misdrijf heeft begaan, maar dat strafoplegging een ongeoorloofde beperking van zijn vrijheid van meningsuiting (Art. 10 EVRM) zou betekenen, zodat artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht op grond van artikel 94 Grondwet buiten toepassing gelaten moest worden. Het ten laste gelegde feit was volgens het Hof niet strafbaar en de verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging.

Een motiveringsklacht

De Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof heeft beroep in cassatie ingesteld tegen deze uitspraak, omdat hij meende dat deze onvoldoende gemotiveerd is. Volgens hem roepen de woorden arrestatie-deportatie-crematie in combinatie met het woord ‘Reisbureau’ op de poster associaties op met de arrestatie, deportatie en crematie van joden in de Tweede Wereldoorlog. Het cassatiemiddel werd door de Hoge Raad echter verworpen, omdat het Gerechtshof voldoende gemotiveerd heeft waarom de aanmerking van de poster als smaadschrift een onrechtmatige beperking van de vrijheid van meningsuiting zou zijn. Volgens het Hof betrof de poster een waardeoordeel over een onderwerp dat in Nederland voorwerp was van een heftige politieke discussie. Daarin bestaat minder ruimte voor beperkingen van de vrijheid van meningsuiting. Daarnaast was de meningsuiting gericht op de Minister wier portefeuille het onderwerp van de meningsuiting betrof, als onderdeel van het kabinet en bevatte de poster geen oproep tot geweld. Bovendien achtte het Gerechtshof het voor de lezers duidelijk dat de toonzetting van de poster sarcastisch was en gebruik werd gemaakt van een zekere mate van overdrijving.(2)

Voetnoten

1
TK Handelingen 2005-2006, nr. 15, p. 853-857.
2
HR 16 juni 2009, LJN BG7750.