Bodroži? en Vladislav Vujin versus Servië

Over het beledigen van een advocaat

Meningsuitingen die een maatschappelijk probleem aan de kaak stellen mogen niet te snel beperkt worden. Ironie is bij het voeren van dergelijke debatten toegestaan, waarbij van bekende mensen verwacht mag worden dat zij meer kritiek kunnen incasseren. Ook een advocaat kan zo’n bekend persoon worden; al is het in één Servische stad.

Meneer Bodroži? en meneer Vujin waren beiden als journalist werkzaam bij de lokale wekelijkse krant Kikindske in de stad Kikinda (Servië). In 2004 publiceerde één van hen een kritisch artikel over de strafrechtelijke schuldigbevindingen van enkele journalisten aan smaad. Meer in het bijzonder verwees het artikel naar een bekende advocaat als ‘een blondje’ en bevatte een artikel van de andere journalist in dezelfde oplage van de krant een foto van een blonde mevrouw in haar ondergoed naast een anagram van de naam van de advocaat. Beide journalisten werden wegens belediging strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld. Het gerecht van eerste aanleg in Kikinda zette uiteen dat onder het nationale recht een actie die bedoeld is als een grap geen strafrechtelijk delict oplevert, zolang de grap geen acceptabele grenzen overschreidt en beledigend wordt. De rechter oordeelde dat de journalisten hadden moeten begrijpen dat de advocaat hun artikelen beledigend zou vinden, omdat zij al eens eerder veroordeeld waren voor het gebruik van identieke bewoordingen voor hem. Daarbij nam de rechter in het bijzonder in zijn overweging mee dat de journalisten de jurist (S.K.) direct en indirect op verschillende pagina’s van dezelfde krant hebben genoemd. De vergelijking van de advocaat met een vrouw, is een vergelijking die volgens de rechter in Servië objectief beledigend is in de maatschappij. Namelijk, in onze denkwijze is het beledigend om een man te vervrouwelijken en grappen over blondjes zijn niet in het minst flatteus, want zij schilderen blonde mensen af als domme mensen die het voorwerp zijn van spot.

Voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens claimden de beide journalisten dat hun recht op vrijheid van meningsuiting is geschonden. Zij stelden dat de beperking van hun mensenrecht in dit geval niet noodzakelijk was in een democratische samenleving als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM.

Het Hof

De vrijheid van meningsuiting is een van de essentiële fundamenten van een democratische samenleving. Het Hof roept daarbij in paragraaf 28 in herinnering dat de bescherming van artikel 10 EVRM niet alleen toepasselijk is voor informatie en ideeën die men graag ontvangt of als onschuldig beschouwt, maar ook bescherming biedt voor informatie en ideeën die mensen verontwaardigen, schokken of verontrusten. Ook onderstreept het Hof de essentiële functie die de pers vervult in een maatschappij. De pers mag zekere grenzen, in het bijzonder met betrekking tot de goede naam en de rechten van anderen, niet overschreiden, maar het is evengoed haar plicht om, op een manier die verenigbaar is met haar verplichtingen en verantwoordelijkheden, informatie en ideeën over alles wat van publiek belang is mede te delen. Daarna komt het Hof tot een inhoudelijke bespreking van de voorliggende zaak.

Allereerst merkt het Hof op dat de tekst van de eerste appellant S.K. vergelijkt met een blonde vrouw en, door gebruikmaking van ironie, zijn eerdere veroordelingen door nationale gerechten krachtig bekritiseerd. De tekst in zijn geheel kan nochtans niet worden begrepen als een gratuite persoonlijke belediging van S.K., doch eerder als een algemene afkeuring van de praktijk waarin nationale gerechten de journalistieke vrijheid van meningsuiting ernstig schaden. De eerste appellant stelde daarbij een belangrijk vraagstuk van algemeen belang ter discussie, waarvan hij meende dat dit belangrijk was voor de hele maatschappij en dus open voor een publiek debat.(1) Het is al lange tijd gebruikelijk dat er slechts een beperkte ruimte is onder artikel 10 lid 2 van het Verdrag voor beperkingen van het debat over vraagstukken die het maatschappelijk belang aangaan.

Wat de publicatie van de tweede journalist betreft oordeelt het Hof dat het geheel van zijn tekst, zijnde grappig binnen haar context, en gepubliceerd in de rubriek ‘Amusement’ van de krant, naar haar oordeel niet anders begrepen kan worden dan als grap (§ 33).

Een bekend persoon, die niet beledigd werd

Nu de advocaat het management van een fabriek had vertegenwoordigd in een faillissementszaak die in de schijnwerpers gestaan had, was de advocaat een bekend persoon in de stad Kikinda. Daarmee is S.K. in het publieke debat betrokken geraakt en moet - als bekend persoon - meer kritiek kunnen incasseren dan doorsnee burgers (§ 34). Het oordeel van de Servische rechter dat de vergelijking van een man met een vrouw in de Servische manier van denken beledigend is, noemt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens belachelijk en onacceptabel (§ 35). Ook het argument dat de beledigingen aan het adres van de advocaat op meerdere plaatsen in de krant hebben plaatsgevonden kon het Hof niet overtuigen. De teksten van appellanten bevatten duidelijk een zekere mate van spotternij, maar kunnen, onder de omstandigheden van dit geval, niet worden beschouwd zo beledigend te zijn dat ze een strafrechtelijke sanctie rechtvaardigen.(2) Evenmin mag een rechter aannemen dat het beledigend karakter van een tekst reeds gegeven is als iemand zich zo beledigd voelt dat hij een procedure aanspant tegen een journalist. Een dergelijke redenering impliceert immers dat geen enkel argument dat de journalist in zou brengen nog van praktische betekenis zou kunnen zijn (§ 36). Alle argumenten van het gerecht van eerste aanleg in Kikinda weerleggend komt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens tot de conclusie dat het recht op vrijheid van meningsuiting (Art. 10 EVRM) van beide journalisten in casu geschonden is.

Voetnoten

1
Željko Bodroži? and Vladislav Vujin v. Serbia, Zaaknummer 38435/05, § 32, ECHR 23 Juni 2009-II.
2
§ 36.