Sorguç versus Turkije

Over de vrijheid de deskundigheid van collega’s ter discussie te stellen

De academische vrijheid omvat het recht voor academici hun mening te geven over de instituties of het systeem waarin zij werken en de vrijheid om zonder beperkingen kennis en waarheid te verspreiden. Ook als die kritiek op de deskundigheid van medewerkers ziet. Dat oordeelde het EHRM op 23 juni 2009 in de zaak van een Turkse hoogleraar tegen Turkije.

Meneer Sorguç is werkzaam als hoogleraar gebouw management aan de technische universiteit van Istanbul (Turkije). In een speech die hij in 1997 tijdens de ‘eerste nationale bouwconferentie’ hield, analyseerde hij de vooruitgang in zijn vakgebied. Daarbij verspreidde hij ook een document waarin hij kritiek leverde op de wijze waarop assistent-docenten werden aangetrokken, omdat deze zou leiden tot de keuze van zeer onbekwame assistent-docenten. Eén van de assistent-docenten, N.C.A., voelde zich, hoewel niet bij naam genoemd, in zijn reputatie aangetast en er volgde een reeks van rechtzaken waarbij de hoogleraar uiteindelijk veroordeeld werd tot betaling van schadevergoeding aan N.C.A.

Meneer Sorguç heeft een verzoekschrift ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (Art. 34 EVRM), stellende dat de beperking van zijn vrijheid van meningsuiting, zoals gegarandeerd door artikel 10 EVRM, in casu niet noodzakelijk was in een democratische samenleving en de Turkse staat hem aldus onvoldoende bescherming heeft geboden.

Het Hof is dat met hem eens. Een factor van bijzonder gewicht voor het oordeel van het Hof in de onderhavige zaak is het onderscheid tussen de vermelding van feiten en waardeoordelen. Terwijl het bestaan van feiten aangetoond kan worden, is de waarheid van waaardeoordelen niet vatbaar voor bewijs. De verplichting om een waardeoordeel te bewijzen is onmogelijk te volbrengen en schendt de vrijheid een mening te hebben, hetgeen een fundamenteel onderdeel uitmaakt van het recht verzekerd in artikel 10.(1) Dat wil echter niet zeggen dat mensen ongelimiteerd waardeoordelen moeten kunnen geven. Ook waar een bewering berust op een waardeoordeel kan de proportionaliteit van een inbreuk afhankelijk zijn van de vraag of er al dan niet voldoende feitelijke basis is voor het bestreden standpunt, omdat ook een waardeoordeel excessief kan zijn als er geen enkele feitelijke basis is die haar ondersteund.

Volgens het Hof heeft de Turkse hoogleraar waardeoordelen gegeven over een onderwerp van maatschappelijk belang: het systeem van benoeming en promotie aan universiteiten. Het waardeoordeel dat door hem is gemaakt, was gebaseerd op zijn persoonlijke ervaring in promotiecommissies en op informatie die al lang bekend was in academische kringen. Dientengevolge waren zijn uitlatingen, in ieder geval gedeeltelijk, vatbaar voor bewijs. De Turkse rechterlijke instanties hebben appellant echter niet de mogelijkheid geboden zijn stelling te bewijzen.

Het Hof merkt op dat het Hof van Cassatie meer waarde heeft toegekend aan de reputatie van een niet bij naam genoemd persoon dan aan de vrijheid van meningsuiting die een academicus normaliter in het maatschappelijke debat zou moeten genieten. Noch heeft het uitgelegd waarom de reputatie van de klager, wiens naam niet eens in het document genoemd werd, zwaarder woog dan de vrijheid van meningsuiting die door de rechtbank in eerste instantie was aangemerkt als zijn constitutionele recht. In dit verband onderstreept het Hof het belang van academische vrijheid, die de vrijheid van academici om vrijelijk hun mening te geven over de instituties of het systeem waarin zij werken en de vrijheid om zonder beperkingen kennis en waarheid te verspreiden omvat.(2) Aldus acht het Hof niet aangetoond dat de beperking van de vrijheid van meningsuiting in casu noodzakelijk was in een democratische samenleving.

Voetnoten

1
Sorguç v. Turkey, 17089/03, § 29 ECHR, 23 juni 2009.
2
§34 en 35.