Een dwangsom van €25.000,-

Een dwangsom van 25.000 euro kan volgens de ABRvS redelijk zijn, wanneer op een perceel zes units zonder bouwvergunning zijn gebouwd en de eigenares al meermalen is gevraagd deze objecten te verwijderen.

De eigenares van een stuk grond in de gemeente Sluis, heeft op haar perceel zes units gebouwd. Voor de bouw is geen bouwvergunning afgegeven, zodat de eigenares in strijd met artikel 40 lid 1 Woningwet heeft gehandeld. Het College van Burgemeester en Wethouders van Sluis besloot handhavend op te treden. Onder oplegging van een dwangsom van €45.000,- ineens gelastten zij de eigenares de zes units van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. In het besluit op het bezwaarschrift werd de dwangsom verlaagd tot €25.000,-. Volgens de eigenares is de verlaagde dwangsom nog altijd te hoog en de begunstigingstermijn onredelijk. Nadat zij tevergeefs beroep had ingesteld bij de rechtbank in Middelburg is zij hoger beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling deed op 9 september 2009 uitspraak.(1)

Redelijke verhoudingen

Volgens het destijds geldende artikel 5:32 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht moet het vastgestelde bedrag in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging staan.(2) De eigenares van het perceel meende dat dit in casu niet het geval was, maar wordt door de Afdeling in het ongelijk gesteld. Net als artikel 5:32b lid 1 Awb maakte artikel 5:32 lid 4 Awb het destijds mogelijk dat een dwangsom op een bedrag ineens werd vastgesteld. In situaties waarin een overtreder eenmaal vóór een bepaalde datum een bepaalde handeling moet verrichten - zoals in dit geval het verwijderen van de zes units -, is het niet onwettig om een dwangsom vast te stellen die, als de last niet binnen de gestelde termijn is volbracht, in een keer verschuldigd wordt. De Afdeling acht het bedrag ook niet onredelijk, omdat de eigenares van de grond aan eerdere verzoeken van het college de units te verwijderen niet heeft voldaan en er bovendien sprake is van een cumulatie van overtredingen. Niet alleen is er sprake van illegale bouw - omdat een bouwvergunning ex art. 40 Woningwet ontbreekt -, maar ook is er sprake van illegaal gebruik, omdat de grond nu in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt.

Begunstigingstermijn

Dat het College van Burgemeester en Wethouders de eigenares van de zes units slechts een week de tijd heeft gegeven om de units van het perceel te verwijderen is evenmin onrechtmatig. Het besluit van 19 september 2006 tot oplegging van een last onder dwangsom was immers vooraf gegaan door twee brieven (respectievelijk: 7 juni 2006 en 29 juni 2006), waarbij het College in de laatste brief kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen als de units niet binnen veertien dagen verwijderd zouden zijn.

Voetnoten

1
ABRvS 9 september 2009, LJN: BJ7192.
2
Het hier bedoelde art. 5:32 lid 4 Awb is nagenoeg gelijk aan het op 1 juli 2009 in werking getreden artikel 5:32b Awb. Zij verschillen slechts hierin dat waar in artikel 5:32b lid 3 Awb gesproken wordt van De bedragen staan (...) de oude bepaling sprak van Het vastgestelde bedrag staat (...).