Onverschuldigde betaling

Geld dat onverschuldigd op je bankrekening wordt gestort kan door de bank worden teruggevraagd (Art. 6:203 BW). In sommige gevallen hoeft een klant daar geen gehoor aan te geven (Art. 6:204 BW), maar wie beweert dat een dergelijke uitzondering op hem van toepassing is, zal dit wel aannemelijk moeten maken.

Bij een klant van de Postbank werd op 1 maart 2006 een bedrag van 4.000 euro onverschuldigd bijgeschreven; afkomstig van een inwoner uit Rotterdam. Volgens de Postbank was de overschrijving het gevolg van fraudeleus handelen van een derde, zodat de bank de Rotterdammer schadeloos heeft gesteld.

Tussen 1 maart 2006 22.50 uur en 2 maart 2006 om 00.25 uur is, nadat een eerste poging geld op te nemen een paar minuten eerder wegens een saldotekort was geweigerd, in acht keer het gehele bedrag van 4.000 euro van de rekening van de Postbankklant opgenomen. Appellante (alias de Postbankklant) had op 1 maart tussen 13.58 uur en 21.54 uur al tien keer via internet ingelogd op haar girorekening en op 2 maart nog eens om 7.11 uur. Pas op 2 maart 2006 om 18.52 uur heeft zij haar giropas bij de Postbank laten blokkeren, waarna zij nog twee keer heeft ingelogd op Mijnpostbank.nl om het saldo van haar girorekening te bekijken. Achttien dagen later deed appellante aangifte bij de politie van vermissing van haar giropas met als datum van verlies 2 maart 2006.

De Postbank heeft de girorekening van appellante geblokkeerd en vermoedt dat appellante betrokken is geweest bij de fraude. Daarom wil de bank dat zij het bedrag van 4.000 euro ter zake van de onverschuldigde betaling van de Rotterdammer terug zal betalen (Art. 6:203 BW). De eerste €1.413,79 heeft de Postbank al ingevorderd. Appellante eist het reeds door de Postbank geïncasseerde bedrag terug en een verklaring voor recht dat zij niet gehouden is 4.000 euro aan de bank te betalen. Daarbij beroept zij zich op een uitzonderingssituatie als bedoelt in artikel 6:204 lid 1 BW.

Art. 6:204 lid 1 BW:
Heeft de ontvanger in een periode waarin hij redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave van het goed geen rekening behoefde te houden, niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het goed zorg gedragen, dan wordt hem dit niet toegerekend.

Wie zich met succes op een uitzondering wil beroepen zal met feiten en/of omstandigheden moeten aantonen dat een dergelijke uitzondering in zijn geval van toepassing is. In casu mag dus van appellante gevraagd worden aannemelijk te maken dat zij in de periode van 1 maart 2006 om 22.43 uur en 2 maart 2006 om 00.25 uur redelijkerwijs met een verplichting tot teruggave van het ten onrechte op haar rekening gestorte bedrag geen rekening behoefde te houden. In rechtsoverweging 4.2 van het arrest wijst het gerechtshof daarbij op artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.(1)

Art. 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:
De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

De Postbank heeft de stelling van appellante gemotiveerd getwist, zodat de kantonrechter - aldus het gerechtshof - terecht de bewijslast bij appellante heeft gelegd. En zo raakte appellante nog eens meer dan 1.000 euro kwijt aan gerechtelijke kosten aan dit vrij kansloze hoger beroep tegen een tussenvonnis van de kantonrechter waarin de bewijslast tussen partijen was vastgesteld.

Voetnoten

1
Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2009, LJN BJ0716.