Dwangbevel tot vergoeding kosten bestuursdwang

Appellante heeft een dwangbevel gekregen van de gemeente Rotterdam tot betaling van de kosten die de gemeente heeft moeten maken om een last onder bestuursdwang te (laten) uitvoeren nu appellante geen einde heeft gemaakt aan een onrechtmatige situatie.

De feiten

Appellante bezit een pand aan de Snellinckstraat 1 te Rotterdam. Volgens het College van Burgemeester en Wethouders voldeed het pand niet aan de eisen die voortvloeien uit de Woningwet. Zij stuurden appellante een concept-besluit en vroegen haar hierop te reageren. Twee maanden later werd het besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang genomen (Art. 5:21 Awb). Appellante kreeg zes weken de tijd om de herstelwerkzaamheden die in het besluit werden genoemd op afdoende wijze te (laten) verrichten. Toen de begunstigingstermijn verstreken was (18 december 2002) en de onrechtmatige situatie niet was hersteld, had het bestuursorgaan de bevoegdheid de situatie te laten herstellen op kosten van degene tot wie het besluit zich richtte.

Art. 5:21 Awb:
Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Op 13 december 2002, 6 januari 2003 en op 22 januari 2003 hebben ambtenaren van de gemeente Rotterdam geconstateerd dat de last die appellante was opgedragen nog altijd niet was uitgevoerd. Op 24 januari 2003 heeft het College van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam appellante bericht zelf tot uitvoering te zullen overgaan. De werkzaamheden hebben twee maanden geduurd en € 81.992,60 gekost. Dat bedrag wil de gemeente Rotterdam nu terug van appellante, maar die weigert te betalen.

Het geschil

Appellante meent dat de aanschrijving tot de last onder bestuursdwang niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Bovendien zouden ambtenaren van de gemeente hebben gezegd dat haar voldoende tijd zou worden gelaten om zelf de resterende werkzaamheden, namelijk aan de dakgoot, de schoorsteen en klemmende deuren, te (laten) uitvoeren.

Het rechterlijk oordeel

Tegen het besluit van 6 november 2002 heeft appellante geen bezwaarschrift ingediend, zodat het voor rechtmatig moet worden gehouden. Dat geldt zowel voor de inhoud van het besluit, als ook voor de totstandkoming ervan. Appellante is dus in beginsel gehouden alle in de aanschrijving genoemde werkzaamheden tijdig te (laten) uitvoeren. Wat de mondelinge toezeggingen betreft is het Hof van mening dat appellante niet heeft gesteld, terwijl dit evenmin anderszins is gebleken, dat zij, afgezien van de drie gebreken, alle gebreken uit de aanschrijving van 6 november 2002 (tijdig) heeft hersteld. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, moet dus worden aangenomen dat de verplichting tot herstel was blijven bestaan. (...) Voor deze gebreken heeft de gemeente dus een aannemer mogen inschakelen, zoals zij heeft gedaan. In rechtsoverweging 7 vervolgt het Gerechtshof: Nu de gemeente onbetwist heeft aangevoerd dat het kostenverhaal (in het dwangbevel) niet ziet op de drie door [appellante] genoemde gebreken, heeft [appellante] (bovendien) in het kader van deze verzetprocedure geen belang bij een beoordeling van de vraag of de gemeente haar had toegestaan deze drie gebreken alsnog zelf te herstellen.(1) De kosten die de gemeente heeft moeten maken om de onrechtmatige situatie te herstellen dienden dus door appellante aan de gemeente vergoed te worden.

Voetnoten

1
Hof ’s-Gravenhage 16 juni 2009, LJN BJ1587.