Ruchtbaarheid geven; ook onder Hyves-vrienden

Met de publicatie van een tekst op een Hyves-profiel wordt deze tekst bekendgemaakt in een ruimere kring van personen, die kennelijk naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de uitlatingen mogen beschikken.

Een vrouw heeft tussen 11 april 2007 en 21 september 2007 (een deel van) haar dagboek op haar profielpagina op de sociale netwerksite Hyves geplaatst. In (een deel van) dit dagboek beschuldigt zij haar ex-partner van seksueel misbruik van hun kind. Zij schrijft onder meer: ik moet mijn kind meegeven aan een pedo. Met het woord ‘pedo’ bedoelde zij haar ex-man. De tekst is alleen zichtbaar geweest voor circa 20 à 25 zogenoemde Hyves-vrienden: een groep personen die volgens de vrouw bestond uit familieleden, vrienden, en bevriende ex-collega’s.

Ruchtbaarheid geven

Het gerechtshof Leeuwarden heeft op 3 december 2009 geoordeeld dat de vrouw zich schuldig heeft gemaakt aan smaad (art. 261 Sr). Eerder kwam de rechtbank in Assen al tot eenzelfde conclussie. Zie Arno R. Lodder. Centraal in deze zaak stond de vraag of de publicatie van (een deel van) het dagboek op een Hyves-profiel volstaat om het bestanddeel ‘met het kennelijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven’ bewezen te verklaren.

Met de term ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van strafrecht is het ter kennis van het publiek brengen bedoeld.(1)

Hyves-profiel

Volgens het gerechtshof heeft de vrouw welbewust, en derhalve opzettelijk, ruchtbaarheid gegeven aan de uitlating dat haar ex-man een pedofiel zou zijn. Het betrof immers niet een beperkt aantal geadresseerden die – zoals de raadsman de vergelijking maakt – in de beslotenheid van de huiskamer vertrouwelijke informatie krijgt toevertrouwd. In het onderhavige geval gaat het om een in potentie ruimere kring van personen, die kennelijk naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de uitlatingen mocht beschikken, waarbij daarnaast een verdere verspreiding van de gewraakte tekst door de oorspronkelijk geadresseerden – gezien de aard van de beschuldiging – voor de verdachte niet alleen in theorie voorzienbaar was maar ook op voorhand feitelijk te verwachten viel.(2)

Voetnoten

1
HR 22 januari 1965, NJ 2008, 430. Ook gepubliceerd als LJN BC9186.
2
Gerechtshof Leeuwarden 3 november 2009, LJN BK1897.